Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

Toledo


  1. Algemeen
  2. De Oudheid
  3. De Middeleeuwen
  4. Moderne tijd
  5. Hedendaagse tijd
  6. Monumenten en andere interessante plaatsen
  7. De website

1. Algemeen

Toledo is in het latijn Toletum; in het Arabisch Tulaytulah en in het joods Spaans Toldoth. 

Het is een stad in centraal Spanje en is de hoofdstad van de gelijknamige provincie in de autonome communiteit Castilla-La Mancha.


Toledo is ook bekend onder de naam “De Stad met de Drie Culturen”, er woonden eeuwenlang christenen, moren en joden. Het is ook de “Keizerlijke Stad” omdat het de voornaamste plaats was van het hof van Carlos I van Spanje.

De stad ligt op de rechteroever van de Taag, op een heuvel met een hoogte van honderd meter boven de rivier.

De stad heeft een verspreidde structuur met wijken die gescheiden zijn van het centrum van de stad.

We hebben de wijk Azucaica die op de rechteroever van de rivier ligt en die haar oorsprong heeft in de een oud gehucht van de stad. Deze wijk ligt op zeven kilometer van het stadscentrum.

De wijk Sta. María de Benquerencia ligt praktisch tegenover de vorige wijk maar dan op de linkeroever van de Taag.

De geschiedenis van de stad begint in de bronstijd. Het was een belangrijk centrum voor de “carpetano” een Keltische stam, tot aan zijn Romeinse verovering in 193 voor Christus.

Er zijn diverse overblijfselen in de stad van de Romeinse aanwezigheid zoals de aquaduct en het circus. Na de Germaanse invasies werd de stad door Leovigildo tot hoofdstad gemaakt en later tijdens de Visigotische periode werd het ook nog de voornaamste kerkelijke zetel.

In 711 werd Toledo zonder veel tegenstand door de Moorse troepen die onder de leiding van Táriq ibn Ziyad stonden ingenomen Tijdens de Moorse periode was de stad opgenomen in de Taifa van Toledo.

Alfonso VI heroverd de stad in 1085.

Tijdens de moderne tijd werd de stad het hof van de katholieke koningen. In 1563 werd het hof overgebracht naar Madrid en de stad geraakte in verval, een verval dat nog versterkt werd door de toenmalige economische crisis. Tijdens de Spaanse burgeroorlog werd de stad een symbool, meer bepaald werd het Alcázar het symbool door de lange belegering die het moest doorstaan.

Traditioneel is de metaalindustrie de economische basis met vooral de fabricatie van messen en zwaarden. Momenteel is het grootste deel van de bevolking actief in de dienstensector.

2. De Oudheid

De eerste permanente nederzetting die we van de stad kennen is een reeks vestingen. Het was een ommuurde Celto-Iberische stad en het was tevens een van de belangrijkste nederzettingen van de Carpetanos, een Keltische stam in Iberië.

Een van de eerste vestigingen was in Cerro del Bú (op de linkeroever van de Taag) en men heeft hier een groot aantal resten tijdens de opgravingen die er werden uitgevoerd gevonden.

Men kan deze resten bekijken in het Museo-Hospital de Santa Cruz in Toledo.

In 193 voor Christus veroverde Marco Fulvio Nobilior na een groot verzet de stad. De Romeinen herbouwden de stad en zij noemden ze Toletum. De stad ontwikkelde toen een belangrijke ijzerindustrie waarmee men munten kon slaan.

De stad kwam verder onder een Romeinse invloed te staan waarvan het grote aantal overblijfselen van villa's getuigen.

De Romeinen hebben nog andere sporen in de stad nagelaten zoals het imposante aquaduct waarvan alleen de fundamenten op de beide oevers van de Taag zijn overgebleven. Verder is er een Romeinse weg die men kan zien op de linkeroever van de Taag en er zijn de resten van een circus dat gedeeltelijk opgegraven is en dat nu in een publiek park ligt.

Het is opmerkelijk dat het grootste deel van die historische gebouwen ontmanteld zijn omdat men de stenen nodig had voor de bouw van andere gebouwen en voor de bouw van de muur die de stad omringde. Vermoedelijk ligt de grootste archeologische rijkdom van de stad in de ondergrond van de stad.
.
3. De Middeleeuwen

Na de eerste Germaanse invallen werden de oude muren herbouwd met defensieve doeleinden maar toch werd de stad in 411 veroverd door de Alanen welke op hun beurt werden verdreven door de Visigothen in 418.

Toen Atanagildo zijn rivaal Agila verslagen had bracht hij zijn hof naar Toledo stad en later, met Leovigildo werd Toledo de hoofdstad van het koninkrijk en ook de zetel van de aartsbisschop.

Daardoor was de stad belangrijkheid op burgerlijk en kerkelijk vlak.

In 711 werd de stad veroverd door Táriq ibn Ziyad en begon de Moorse heerschappij. De inname van de stad verliep zonder problemen en dat was mogelijk omdat een groot deel van de bevolking de stad ontvlucht was.

Het overwicht in de bevolking van de Mozaraben was een grote zorg voor Córdoba. In 797 (volgens Claudio Sánchez-Albornoz in 807), tijdens het emiraat van Alhakén I, kwam er een opstand tegen Córdoba.

De emir stuurde Amrús ben Yusuf (die in de christelijke kronieken de naam Amorroz kreeg) om de stad te onderwerpen. Amrús liet de plaatselijke muladies (personen van gemengde afkomst, Iberisch maar islamitisch) vermoorden door middel van een list. Amrús organiseerde een banket in het paleis van de gouverneur en hij nodigde de voornaamste muladies van de stad op dit banket uit. Aan de poorten van de residentie posteerde hij een aantal beulen en toen de gasten aankwamen werd hun de keel over gesneden. Hij liet hun lichamen in een greppel gooien.

Op deze wijze kon de emir de stad onder zijn controle houden maar de stad kwam terug in opstand in 811 en in 829.

Ten slotte sloeg Abd al-Rahman III de laatste opstand neer en nam terug bezit van de stad in juli 932 na een beleg van twee jaar. Na het uiteenvallen van het kalifaat in de elfde eeuw werd Toledo een van de belangrijkste taifa koninkrijken. Zij moesten wel belasting betalen aan de koningen van Castilla om hun onafhankelijkheid te bewaren.

Op 25 mei 1085 kwam Alfonso VI aan in de stad , na een voorafgaande overeenkomst met de Moorse machthebbers. Na de overeenkomst van de capitulatie garandeerde de koning aan de Moorse bevolking hun veiligheid en hun bezittingen.

De koning verleende privileges aan elk van de bestaande minderheden, de Mozaribische, de islamitische en de Joodse. Later werden deze privileges verlengd door Alfonso VII met het Pact van 1118. N a de verovering van de stad begon de periode van de grootste pracht en praal van Toledo.

De School van de Vertalers floreerde tijdens de twaalfde en de dertiende eeuw en er werden tal van bouwwerken uitgevoerd op burgerlijk en kerkelijk vlak.

Na de verovering was men uiterst tolerant tegenover de Joodse en Moorse gemeenschappen maar deze tolerantie duurde niet lang. De christenen bouwden hun nieuwe kathedraal op de grote moskee die op zijn beurt al was gebouwd op de oude Visigotische kathedraal.

Tijdens de Castiliaanse burgeroorlog vocht Toledo mee aan de zijde van Pedro I en na een lange belegering werd de stad in januari 1369 ingenomen. Tijdens de ganse middeleeuwen bleef de stad groeien en in de veertiende eeuw verkreeg de stad het privilege om er een markt te houden.

In deze periode werd de stad een van de voornaamste producenten van stoffen en die activiteit kwam naast de andere belangrijke activiteiten zoals het slagen van munten en het maken van wapens. Aan deze expansie had de Joodse bevolking een belangrijk aandeel tot aan hun verdrijven uit de stad in 1492.

4. Moderne tijd

De katholieke koningen maakten de stad groter en in de kathedraal van Toledo werden in 1502 Juana en Felipe el Hermoso uitgeroepen tot de erfgenamen van de Castilliaanse kroon.

Isabel la de Katholieke gaf de opdracht om in Toledo het Klooster van San Juan de los Reyes te bouwen ter herdenking van de slag van Toro. In dit klooster moest zij samen met haar echtgenoot begraven worden maar na de verovering van Granada veranderde zij dat plan en werd het echtpaar in Granada begraven.

Toledo was een van de eerste steden die zich aansloot bij de opstand van Comunidades in 1520 die als leiders Pedro Laso de la Vega en Juan de Padilla had. Na de nederlaag van de opstandelingen tijdens de slag van Villalar gingen de inwoners van Toledo verder met hun opstand tegen Carlos V en zij stonden toen onder de leiding van de weduwe van Padilla, María Pacheco. Deze voortzetting van de opstand ging verder tot in 1522 en Toledo werd een van de voornaamste steden van het imperium.

Later, in 1563, door de beslissing om het hof naar Madrid over te brengen verloor de stad een groot deel van haar politieke en economische macht.

5. Hedendaagse tijd

Na het begin van de Spaanse burgeroorlog bleef de stad in het republikeinse grondgebied liggen. Echter, in het Alcázar, zetel van de Academia de Infantería, bleef een groep nationalisten achter die onder het bevel van kolonel Moscardó stonden en die weerstand aan de regering boden vanaf 21 juli 1936 tot aan de komst van de troepen van generaal Varela op 27 september 1936.

Het beleg van het Alcázar werd op grote schaal gebruikt door de troepen van generaal Franco.

Het Alcázar, dat praktisch volledig vernield was werd na de oorlog volledig heropgebouwd.

De repressie tussen de beide groepen tijdens en na de oorlog waren karakteristiek voor deze periode. Toen de stad nog onder republikeinse controle stond waren er terechtstellingen van personen die bekend stonden als “rechts” of die kerkelijk gezind waren.

Een van de terecht gestelden was de deken van de kathedraal en volgens de falangistische geschiedenis was de zoon van kolonel Moscardó ook onder hen.

In september 1936 installeerde men een Volkstribunaal in het aartsbisschoppelijk paleis maar dit tribunaal was een kort leven beschoren. Na vier veroordelingen werd het al overgebracht naar Madrid.

Het leven in de stad was niet gemakkelijk, men leefde permanent onder een oorlogsdreiging en grote vernielingen werd aangericht door de bombardementen op het Alcázar.

Na de inname van de stad door de troepen van Franco kwam er geen verbetering voor het lot van de inwoners. Deze troepen richtten moord partijen aan in de hospitalen van de stad waar de gekwetste republikeinen verbleven.

Tot december 1936 stond de stad onder een algemene terreur die onder leiding stond van commandant Planas en die gericht was op alle inwoners van de stad die geen steun verleend hadden aan de Franco troepen.

6. Monumenten en andere interessante plaatsen

De stad Toledo werd in 1940 opgenomen op de lijst van Historische-Culturele Plaats en in 1987 werd de stad opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

A. Kasteel van San Servando – Castillo de San Servando. 

Dit is een middeleeuws kasteel dat op de oever van de Taag ligt en naast de Academia de Infantería. Oorspronkelijk, in 1088 werd met de bouw van het kasteel begonnen tijdens de regeerperiode van Alfonso XI en het moest dienen als een klooster.


Later werd het omgebouwd tot een vesting om de mogelijke dreiging van de Moren af te slaan aan de brug van Alcántara. Met de totale verdrijving van de Moren van het Iberisch schiereiland verloor de vesting haar doel.

Na een aantal verbouwingen en onder druk van een totale vernietiging kwam het in 1874 op de lijst van Belangrijke Nationale Historische Culturele Plaats.

Vandaag de dag is het kasteel volledig gerestaureerd en het deed achtereenvolgens dienst als school, zetel van de Cortes van Castilla-La Mancha en Universiteit.

Momenteel doet het dienst als Jeugdherberg en plaats voor cursussen en vergaderingen.

Vanuit het kasteel heeft men een panoramisch uitzicht over Toledo en de Taag.

B. Kathedraal van Santa Maria – Catedral de Santa Maria

De kathedraal van Santa Maria draagt ook nog de naam van “Catedral Primada de Toledo” en is de zetel van het aartsbisdom van Toledo.


Het gebouw wordt beschouwd als de “magnum opus” van de gotiek in Spanje. De bouw van de kathedraal begon in 1226 tijdens de regeerperiode van Fernando III de Heilige en het is de laatste bijdrage van de gotische bouwstijl in Spanje. Hij is gebouwd met witte stenen van Olihuelas.

Oorsprong

Volgens de overlevering heeft op de plaats waar de huidige kathedraal staat al een tempel gestaan die dateert uit de periode van aartsbisschop Eugenio. De tempel werd voor de tweede maal ingewijd in 587 nadat er aan de eerste tal van vernielingen waren aangericht.

In de Visigotische tijd was er in de stad de bisschopszetel en tal van Concilies gingen hier door.

Men denkt dat de toenmalige Visigotische bisschopskerk na de inval van de Moren werd omgebouwd tot een moskee. Een groot aantal onderzoekers zeggen dat de gebedsruimte in de moskee overeenstemt met de 5 kerkschepen van de huidige kathedraal.

De patio stemt overeen met een deel van de huidige kloostergalerij, de kapel van San Pedro en de minaret met de klokkentoren.

Tussen de archeologische gegevens kunnen we verschillende sporen ontdekken die duidelijk maken dat er Moorse invloeden aanwezig zijn: een islamitische zuil in de kapel van Santa Lucia, de marmeren zuilschachten die die de buitenzijde van het koor garneren hebben een duidelijke Moorse stijl, de gekruiste bogen zijn in de kalifaat stijl.

De bouw van de kathedraal

Met de bouw van de kathedraal werd begonnen in de dertiende eeuw, ten tijde van Fernando III, de Heilige l en van de aartsbisschop van Toledo, Rodrigo Ximénez de Rada.

De ceremonie van de eerste steenlegging werd uitgesteld totdat de koning deze kon bijwonen en dat gebeurde in 1227. Ximénez de Rada werd in 1209 tot aartsbisschop van Toledo verkozen.  In zijn ogen was de bouw van een grote kathedraal in de stad zeer belangrijk voor zijn waardigheid.

De toenmalige moskee-kathedraal was toen al oud en geraakte vervallen tot een ruïne en sommige gedeelten waren zelfs afgebroken door de voorganger van de kardinaal. De moskee-kathedraal bestond uit een grote ruimte maar zij was laag en ontbeerde slankheid zoals gelijkaardige gebouwen wel hadden.

Ximénez de Rada werd een enthousiaste promotor voor de bouw van een nieuwe kathedraal die gebouwd moest worden in de toenmalige meest gebruikte bouwstijl, de gotiek.

De bouwmeesters

Gedurende eeuwen dacht men dat de eerste bouwmeester-architect van de kathedraal Petrus Petri (Pedro Pérez) was. Men baseerde zich hiervoor op een inschrijving in het latijn op een gedenksteen in de kathedraal. 

In het midden van de twintigste eeuw onderzocht de bisschop van Ciudad Real dit thema en dat onderzoek bracht een andere architect die voor Petrus Petri aan de kathedraal gewerkt heeft aan het licht.

Die nieuwe eerste architect was meester Martín, gehuwd met María Gómez. Martín was van Franse origine en hij werd aangesteld door Ximénez de Rada. Een van de documenten draagt de datum van 1227 en in dat document spreekt men van meester Martín van het bouwwerk van Santa María de Toledo.

Een ander document uit 1234 waarop de rekeningen en de betalingen vermeld staan draagt de naam Martín. Geschriften uit vorige jaren dragen de naam van Martín (metselaar) en Juan Martín (meester van de metselaars) maar men denkt dat dit familieleden zijn.

Er zijn geen andere documenten opgedoken waarin men van een architect voor Petrus Petri spreekt.

Onderzoek uitgevoerd na de ontdekking van architect Martín wees uit dat het de ontwerper van de kapellen rond het hoofdaltaar kan zijn.

Op het einde van de veertiende eeuw spreekt men van architecht Rodrigo Alfonso.  Hij was verantwoordelijk voor de eerste steenlegging van het klooster in 1389. Dat gebeurde onder de bescherming van aartsbisschop Pedro Tenorio. Deze aartsbisschop liet nog andere werken aan de kathedraal uitvoeren zoals de kapel van San Blas en van het klooster dat beroemd is voor zijn artistieke rijkheid van zijn frescos.

De volgende belangrijke architect was Alvar Martínez (soms González genoemd). Hij was aannemer in de steengroeven van Olihuelas. Hij was verantwoordelijk voor de gevel waaraan men in 1418 begon te werken en voor de enige toren aan het gebouw die gebouwd werd tijdens de periode van aartsbisschop Juan Martínez de Contreras. Zijn schild staat op de fries van het eerste deel.

De bekroning van de toren was het werk van een andere grote meester Hannequin de Bruselas. Hij werkte tijdens de periode van aartsbisschop Juan de Cerezuela. Met Hannequin kwam er een groep van belangrijke architecten aan het werk: Egas Cueman, Enrique Egas en Juan Guas.

De buitenkant van de kathedraal

Voorgevel en belangrijke poorten

Van op de Plaza del Ayuntamiento zien we aan de linkerkant de klokkentoren die bekroond is door een torenspits. Er zijn twee delen, het lager gedeelte is ontworpen door Alvar Martínez en het hoger gedeelte dat achthoekig is, is ontworpen door Hannequin de Bruselas. Dit is ook bekroond door een spits. Aan de rechterzijde ziet men het uitspringend gedeelte van de kapel in Mozarabische bouwstijl. Dit werd gebouwd in opdracht van kardinaal Cisneros.

Poort van de Horloge (Puerta del Reloj)

Dit is de oudste van de poorten en zij dateert uit de veertiende eeuw.   Het timpaan is verdeeld in vier horizontale banden waarin we het leven van Christus kunnen onderscheiden.



In het bovenste gedeelte van het timpaan staat een afbeelding van de Maagd en in de middenzuil staat een afbeelding van de Maagd en het Kind. In de raamstijlen staan afbeeldingen van koningen en heiligen en dat is een werk van Juan Aléman die ook gewerkt heeft aan de Leeuwen poort.

Het centrale deel is bezet door de klok die haar naam aan deze poort gaf. De beeldjes zijn van Diego Copín. De poort en de omgeving zijn zeer mooi en er is een kleine ruimte dat afgesloten is door een hek in gotische stijl van de hand van Juan Francés.

Leeuwenpoort (Puerta de los Leones)

Deze poort stamt uit de vijftiende en de zestiende eeuw en het is de meest moderne van de grote poorten. De poort kreeg haar naam door de leeuwen die de kolom van het ijzeren hekwerk bekronen. Deze poort werd gemaakt tussen 1460-1466 onder het mandaat van de aartsbisschop Alonso Carrillo de Acuña; naar een plan van Hannequin de Bruselas en Egas Cueman. Zij deden dit in samenwerking met de Vlaamse beeldhouwers Pedro en Juan Guas en Juan Alemán.

De beelden in deze poort zijn een van de mooiste Spaans-Vlaamse werken uit de vijftiende eeuw met name de Maagd in de middenrij en de beelden in de raamstijlen.

De cherubijntjes en de engelen die Maria vergezellen met haar hemelvaart zijn werken van een uitzonderlijk vakmanschap.

De gevel werd in de achttiende eeuw veranderd door Durango en Salvatierra, hij werd gelijk gemaakt aan de andere poorten om het gebouw te verstevigen.

Er zijn elf afbeeldingen die profeten en patriarchen tonen en in het midden staat de Maagd Maria. Verder zien we een groot standbeeld van een biddende San Agustín.  De bronzen deurposten zijn een werk van Francisco de Villalpando,

Andere poorten van de kathedraal

Poort van de Vlakte (Puerta Llana)
De poort is in neo-klassieke stijl uit 1800 en ze is het werk van Ignacio Haam. Het is de enige toegangspoort van de kathedraal die op het gelijkvloers ligt, er zijn hier geen trappen en daar komt dus ook haar naam vandaan. Momenteel is het de toegang voor bezoekers.

Poort van Santa Catalina (Portada de Santa Catalina)
Het is een van de twee toegangen tot het klooster en ze is in laat-gotische stijl. De archivolten zijn uitgevoerd met plantaardige motieven van gebladerte. Binnenin zijn er twee gedeelten, het bovenste gedeelte is versierd met een reeks beelden met baldakijntjes. In de timpaan boven de gotische boog is er een schildering van Luis de Velasco.

Poort van de Presentatie (Puerta de la Presentación)
Deze poort is uit de tijd van kardinaal Tavera, zij heeft een rijk beeldhouwwerk met miniatuurtjes in platereske bouwstijl en men heeft hier een mooie witte steen gebruikt. Het is de tweede toegangspoort tot het klooster.

De toren

Oorspronkelijk voorzag het bouwproject in twee torens, een aan elke zijde van de westelijke gevel.maar men heeft er slechts een opgericht op de noordwestelijke hoek terwijl er op de overliggende hoek enkel de fundering kwam. Op deze plaats bouwde men later een kapel.


De toren werd ontworpen en gebouwd door Alvar Martínez.

De toren is in gotische stijl met mudéjar invloeden. Na een vierkant vloeroppervlak werden er vier verdiepingen bovenop geplaatst en daar kwam dan nog een verdieping bovenop van een lagere hoogte.

De tweede verdieping was de behuizing van de klokkenluider en de derde verdieping deed dienst als kerkelijke gevangenis.

Tussen de eerste en de twee verdieping zien we een horizontale fries in zwart marmer waarin in witte marmer de schilden van aartsbisschop Juan Martínez de Contreras werden aangebracht.

De top van de toren met zijn achthoekige vorm is een werk van de architect Hanequin de Bruselas. Deze architect werkte aan de kathedraal samen met andere grote figuren zoals Egas Cueman, Enrique Egas en Juan Guas

Interieur van de kathedraal

De Grote Kapel

De grote kapel van de kathedraal bevat een grote rijkdom aan kunstwerken te beginnen met de eigen architectuur van de kapel. Oorspronkelijk was de kapel verdeeld in twee delen met twee zelfstandige gewelven.

Het veelhoekig gewelf behoorde bij de kapel van de Oude Koningen “capilla de los Reyes Viejos” die zo gescheiden bleven. Met deze verdeling was het koor niet representatief voor een dergelijke kathedraal en kardinaal Cisneros heeft na talloze confrontaties met het kapittel dit deel van de kathedraal herbouwd.

Uiteindelijk werd de kapel van de oude koningen gesloopt en werd het koor vergroot en kwam er voldoende ruimte voor een groot retabel.

Vanaf de oorsprong werd de kapel afgesloten door twee mooie ”traliewerken” uit steen.. Een deel werd afgebroken om plaats te maken voor het mausoleum van kardinaal Mendoza. Volgens een aantal kunstkenners is dit stenen hekwerk het mooiste in de hele kathedraal. Het is mogelijk dat het werk voltooid was tijdens de periode van aartsbisschop Pedro de Luna wiens wapens en de blazoenen van Kastilla en León op het werk staan.

Het is overvloedig versierd met beeldhouwwerken en het is bekroond door een koor van engelen. In harmonie met dit werk van steen zijn er twee pilaren geplaatst die mee vorm geven aan de kapel. Op de linker pilaar zien we een figuur met een baard en dit is volgens de legende de beroemde herder Martín Alhaja die nieuws bracht van de veldslag van “Las Navas de Tolosa”. Op de andere pilaar staat Abu Walid, het was hij die aan koning Alfonso VI een bericht van tolerantie stuurde.

Het ganse koor is bewerkt met beeldhouwkunst in alle figuren en formaten. Aan de ene zijde zien we de graftombes van Alfonso VII en van zijn echtgenote, doña Berenguela, van kroonprins Pedro Aguilar de Campoo en van Oernia, bastaardzoon van Alfonso XI en Leonor de Guzmán.

Aan de andere zijde is de graftombe van Sancho III vanCastilla, el Deseado en van Sancho IV el Bravo. De beelden van de koningen werden gemaakt in hout door Copín de Holanda en ingekleurd door Francisco de Amberes. Het is afgesloten door een prachtig hekwerk van Francisco de Villalpando.

Kapel van de graftombe in de grote kapel

Onder het hoofdaltaar van de grote kapel is er een crypte en die kreeg de naam van kapel van de graftombe. Het heiligdom is van buitenaf toegankelijk door middel van een deur met tralies.

Het is een gewelfde kapel waarin drie altaren staan. Het altaar in het midden is toegeschreven aan Santo Entierro en het bevat een groep mooie beeldhouwwerken van Copín de Holanda.

Het altaar aan de rechterzijde heeft mooie schilderijen van Luis Medina en Francisco Ricci.

Het altaar aan de linkerzijde is toegeschreven aan san Julián en er staat een beeldhouwwerk van deze aartsbisschop .

Het retabel van de grote kapel

Het is een retabel in gotische stijl en het is tevens een van de laatste werken in deze stijl voordat men overgaat naar de renaissance stijl.


De opdracht voor het werk ging uit van kardinaal Cisneros en er werd met het werk begonnen in 1497, het retabel was klaar in 1504. Onder de architecten, schilders en beeldhouwers vinden we Enrique Egas en Pedro Gumiel voor het ontwerp; Francisco de Amberes en Juan de Borgoña voor de aankleding en het inkleuren, Rodrigo Alemán, Felipe Vigarny, Diego Copín de Holanda en Sebastián de Almonacid voor de beelden en Petit Juan of Peti Joan voor het tailleren en de afwerking.

De Mozaraben Kapel

Deze kapel ligt in de zuidwestelijke hoek van de kathedraal en ze bevat binnenin het begin van een toren die nooit gebouwd is. De originele naam voor deze kapel is door Kardinaal Cisneros gegeven en dat was Kapel van Lichaam van Christus “Capilla del Corpus Christi”.


Het doel van deze kapel was sinds 1501 het uitvoeren van diensten volgens de mozarabische liturgie.

Er zijn een aantal redenen te bedenken voor de welwillendheid van Cisneros. De meest waarschijnlijke is de wens van de kardinaal om de verzoening te bewerkstelligen tussen verschillende religieuze gevoelens.

Er moet rekening gehouden worden dat op 20 maart 1101 Alfonso VI aan de Mozaraben van Toledo een privilege gegeven heeft dat in 1371 door Enrique II bevestigd werd.

Na voltooiing van deze kapel was er een vierkant grondvlak onder een achthoekige koepel. Er was vermoedelijk een in vakken verdeeld plafond in mudejar stijl maar dit is in de loop der jaren verloren gegaan.

De huidige koepel is uit de zeventiende eeuw en hij is een werk van de zoon van El Greco, Jorge Manuel Theotocópuli.

Kardinaal Cisneros wou dat Juan de Borgoña, in navolging van de schilderijen over de veroveringen van de Katholieke Koningen, er in de kathedraal schilderijen kwamen die aandacht hadden voor de verovering van Orán.

Het gotisch hekwerk in de kapel is van de hand van Juan Francés en er staan naast andere versieringen ook het wapenschild van Cisneros op. Het altaar uit de achttiende eeuw is van brons en marmer uit verschillende kleuren en dat is een werk van Juan Manzano.

In het midden is er een beeld in mozaïek uit de achttiende eeuw van de Maagd met het Kind.

Op het retabel is er een kruisbeeld dat uit een stuk uitgesneden is. Een ander gotisch hekwerk gemaakt door Julio Pascual scheidt het koor van de rest van de ruimte. Het gewelf van de kapel is uitzonderlijk mooi.

De nieuwe kapel der koningen

De originele kapel werd in 1374 opgericht door Enrique II van Castilla en zij kreeg de naam van Koninklijke Kapel. Zij lag aan de voet van de noordelijke beuk. Het kapittel wou in 1534 de plaats van deze kapel veranderen en aartsbisschop Alfonso de Fonseca y Acevedo verzocht de vorst om de kapel te mogen verplaatsen. Dit was geen gemakkelijke klus maar door de kunde en het vernuft van de architect kreeg men dit toch voor mekaar.

De huidige kapel ligt aan de noordzijde van Santiago en Santa Leocadia en de hoofdzijde. De kapel heeft een rare toegang en het was een moeilijke oplossing door de architect Alonso de Covarrubias.

Meer dan een kapel is dit een kleine kerk met een kerkschip met twee gedeeltes en een veelhoekig absis. Er is ook een sacristie en een inkomhal en dat is een originele oplossing van Covarrubias. Men heeft aan deze kapel gewerkt van 1531 tot 1534 en het was het eerste grote werk van Covarrubias in Toledo.

De twee gedeeltes van het kerkschip hebben een gotisch kruisgewelf maar alle ornamenten en de graven zijn in renaissance stijl. De twee delen zijn gescheiden door een hekwerk van Domingo de Céspedes. Het eerste deel vormt de basis van de kerk met zijn altaren en in het tweede deel zijn de graftombes.

De graftombes
In deze kapel zijn de graven van een groot deel van de Trastámara dynastie met uitzondering van Isabel la Católica (begraven in Granada), Juan II van Castilla (begraven in de Cartuja de Miraflores in Burgos) en Enrique IV (begraven in het klooster van Guadalupe in Cáceres).

Kapellen aan de zuidelijke muur

Kapel van de Driekoningen – Capilla de la Epifanía
Het schilderij van het retabel, dat toegeschreven is aan Juan de Borgoña, laat de aanbidding van de Driekoningen zien heeft zijn naam gegeven aan de kapel. De kapel werd opgericht door Pedro Fernández van Burgos en zijn echtgenote María Fernández die hier beiden begraven liggen.

Kapel van de Ontvangenis – Capilla de la Concepción
Men komt de kapel binnen door een hekwerk met een grote artistieke waarde en waarop het wapenschild van de familie Salcedo is aangebracht. De kapel werd opgericht in 1502 door Juan de Salcedo, kanunnik van Toledo. Op het gotisch retabel zien we een schilderij van Francisco de Amberes.

Kapel van San Martin – Capilla de San Martín
De kapel is afgesloten door een hek van de hand van Juan Francés. Er is een mooi retabel dat van de hand is van Juan de Borgoña en Francisco de Amberes.

Kapel van San Eugenio – Capilla de San Eugenio
Voorheen droeg deze kapel de naam van San Pedro maar de naam werd veranderd ten tijde van aartsbisschop Sancho de Rojas.

De kapel heeft wel de originele architectuur behouden uit de achttiende eeuw. Er is een afsluiting van Juan Francés. Op het retabel staat een beeld van San Eugenio, aartsbisschop van Toledo en het is een werk van Copín de Holanda. Deze kapel bewaard een zeldzaam stuk, het is het graf van een ridder Alguacil de Toledo die de naam droeg van Fernán Gudiel. Hij stierf in 1278.

Kapel van Santa Lucia – Capilla de Santa Lucía
Deze kapel draagt de naam van San José en zij is een van de oudste kapellen in de kathedraal. Zij werd opgericht door Jiménez de Rada. De kapel heeft haar oorspronkelijke architectuur uit de dertiende eeuw bewaard.

Kapel van de Oude Koningen – Capilla de los Reyes Viejos
Deze kapel heeft nog een andere naam en dat is kapel van de Heilige Geest. Zij werd opgericht door aartsbisschop Gonzalo Díaz de Palomeque. De oude kapel die de naam kreeg van de Kapel van de Oude Koningen werd gesticht door Sancho IV en we vinden ze in het hoger gedeelte van het koor in de grote kapel. De kapel is afgesloten door een mooi hek van de hand van Domingo de Céspedes. De kapel heeft drie interessante retabels van de hand van Francisco Comontes.

Kapel van Santa Ana – Capilla de Santa Ana
Zij werd opgericht door Jiménez de Rada en later werd zij gerestaureerd door Juan de Mariana die er ook begraven ligt. Het is een van de kleinste kapellen in de kathedraal.

Kapel van San Juan Bautista – Capilla de San Juan Bautista
Deze kapel is afgesloten door een hekwerk in gotische stijl. De stichter was de aartsdeken van Niebla en de kanunnik van Toledo, Fernando Díaz de Toledo. In deze ruimte bewaard men een kostbaar ivoren relikwie met de beeltenis van Christus.

Kapel van San Gil – Capilla de San Gil
Deze kapel is een klein juweeltje. Zij werd in de zestiende eeuw gerestaureerd door Miguel Díaz, kanunnik en pauselijke notaris. Hij was een man met een verfijnde smaak en een kunstliefhebber. Hij liet het interieur van de kapel schilderen in de stijl van Pompei, een stijl die ook gebruikt werd in het Escorial.

Ruimtes van de kapittelzaal – Espacios de la Sala Capitular

Er zijn drie ruimtes die behoren tot de kapittelzaal. De eerste is een kleine en oude kapel die dienst doet als vestibule en die toegang geeft tot de tweede ruimte, de wachtzaal van de kapittelzaal. Deze wachtzaal heeft een met vakken versierd plafond in mudéjar stijl van de hand van Francisco de Lara.

De toegangsdeur tot de kapittelzaal is een mengeling van twee stijlen, de mudéjar en de platereske. Het is een werk van Bernardino Bonifacio de Tovar die ze maakte in 1510. Deze hal is ingericht met mooie kasten.  De kasten aan de linkerzijde zijn in de zestiende eeuw gemaakt door Gregorio Pardo en de kasten aan de rechterzijde zijn in de achttiende eeuw gemaakt door Gregorio López. De kapittelzaal zelf heeft ook ook een mooi mudejarplafond. De muurschilderingen zijn van Juan de Borgoña. Hier kan men ook twee schilderijen van Goya bekijken.

Kapel van San Ildefonso – Capilla de San Ildefonso
Deze kapel kan men vinden in de kern van de rondgang en tegenover de Transparente. De kapel werd opgericht op het einde van de veertiende eeuw onder kardinaal Gil Carrillo de Albornoz.

De kapel moest dienen als begraafplaats voor de kardinaal en zijn familie.maar zij geraakte niet tijdig klaar. De kardinaal stierf in Viterbo (Italië) in 1364 of in 1367) en zijn lichaam werd drie jaar later naar Toledo gebracht..

De kapel herbergt drie oude kapellen, een centrale grote kapel en twee kleine kapellen aan de kant. De kapel heeft een achtvormig oppervlak en zij is de eerste van die vorm die gebruikt werk als begraafplaats.

In de kapel zijn drie bouwstijlen aanwezig, de bogen en gewelven zijn gotisch, de platereske stijl aan het graf van de bisschp van Ávila en neoklassiek aan het centrale retabel. Dit retabel komt uit de achttiende eeuw en het is gemaakt uit marmer, jaspis en brons.

Kapel van Santiago – Capilla de Santiago
(Deze kapel draagt ook de naam van kapel van Álvaro de Luna omdat deze historische figuur de opdracht gaf tot de bouw van de kapel. Zij moest dienen als begraafplaats voor hem en zijn familie. Het is een van de grootste kapellen in de rondgang, zij neemt de plaats in van drie kapellen.

De kapel heeft een achthoekige vorm en zij is gebouwd in laat-gotische stijl.

Het retabel in de kapel is in gotische stijl en het is een werk van Pedro de Gumiel. Het bevat veertien panelen die geschilderd werden in 1488 door Sancho de Zamora in opdracht van María de Luna. In het midden zien wij een beeld van Santiago en dat is een werk van Juan de Segovia.

Kapel van Santa Leocadia – Capilla de Santa Leocadia
Deze kapel doet dienst als begraafplaats van kanunnik Juan Ruiz Ribera. Zijn overblijfselen bevinden zich in een urne die in een nis staat. In de tegenoverliggende muur ligt zijn oom, Juan Ruiz el Viejo begraven. Op het retabel zien we het beeld van Santa Leocadia uit de achttiende eeuw en dat is geschilderd door Ramón Seyro.

Kapellen in de noordelijke muur

Kapel van San Pedro – Capilla de San Pedro
Deze kapel ligt tussen de poort van de horloge en de Santa Catalina. De oprichter was Sancho de Rojas die hier op deze plaats zijn graf heeft. Deze kapel is meer dan een kapel, het is meer een kleine kerk die dienst doet als parochiekerk. Zij ligt tegen de oostelijke muur van het klooster.

Men treed binnen door een hek in gotische stijl met archivolten die versierd zijn met plantaardige en heraldische motieven waaronder het schild van de Rojas dat 5 sterren draagt.

Op de top van de laatste archivolt staat de buste van aartsbisschop en links en rechts staan er afbeeldingen van andere dignitarissen. In het midden en boven het beeld van de aartsbisschop zijn er gotische beelden van San Pedro.

Kapel van de Vroomheid – Capilla de la Piedad
De kapel is opgericht door de kanunnik Alfonso Martínez voor zjn begraafplaats. Het altaar is opgedragen aan Santa Teresa wiens beeld wordt toegeschreven aan Pedro de Mena of aan zijn werkplaats.

Kapel van Doña Teresa de Haro – Capilla de Doña Teresa de Haro
Deze kapel staat ook bekend als die van Cristo de las Cucharas als referentie aan de grote lepels op het blazoen van de familie López de Padilla. De kapel werd opgericht door Teresa de Haro, echtgenote van maarschalk Diego López de Padilla.

Sacristie

De sacristie is een grote ruimte met andere aangrenzende ruimtes zoals de kleedkamer en de ruimte met de collectie van kleren. De sacristie heeft een rechthoekige vorm en de ruimte is versierd met grote schilderingen van Vicente Carducho, Eugenio Caxés, Francisco Ricci en Lucas Jordán.


Het ontwerp van de sacristie is van de hand van Francisco Vergara el Mayor en Juan Bautista Monegro en zij deden dit in de herreriano stijl.

Het tongewelf is prachtig versierd met schilderingen van Lucas Jordán. Op de muren is er een groot aantal schilderijen tentoongesteld die er een waar museum van maken.

De mooiste schilderijen zijn de vijftien van El Greco. De andere schilderijen zijn van de hand van Luis de Morales, Pedro de Orrente, Juan Pantoja de la Cruz, Juan de Borgoña, Luis Tristán, Anton van Dyck, Goya, Bassano el Mozo en anderen.

In de volgende kamer is de kleedkamer waarvan de zoldering geschilderd is door Claudio Coello en José Donoso. In deze ruimte zijn er schilderijen van Tiziano, Velázquez en Giovanni Bellini.

Naast deze uitzonderlijke werken zijn er nog een aantal andere schilderijen van andere meesters.

In de andere ruimte vinden we een verzameling klederen waaronder een aantal met een grote waarde. Er zijn hier 70 stukken waaronder de mantel van de aartsbisschop Sancho de Aragón, zoon van Jaime I, waarop heraldische emblemen gezet zijn.

Er is hier ook een Arabische standaard die gewonnen werd tijdens de slag van Salado. De collectie tapijten telt zeventig stuks en er zijn kunstontwerpen van de hand van Rubens. Veel van dit alles wordt tentoongesteld tijdens de de feesten van Corpus Christi.

Kapel van de Virgen del Sagrario – Capilla de la Virgen del Sagrario
Samen met de volgende kapel zijn de twee kapellen het mooiste voorbeeld van de herreriana bouwstijl in de kathedraal. De grootsheid van de structuur en de versieringen zijn afkomstig uit de zestiende eeuw en kardinaal Bernardo de Rojas y Sandoval is hier verantwoordelijk voor.

De werken werden begonnen door Nicolás de Vergara el Mozo en zij eindigden in 1616.

De kapel staat onder de bescherming van de Virgen del Sagrario. Er is hier een romaans beeldhouwwerk dat in de dertiende eeuw bedekt werd met zilver en nadien aangekleed werd met een mantel bedekt met parels.

De muren zijn bedekt met marmer en de grote koepel steunt op pendentieven.. In de noordelijke muur staat het altaar met het beeld van de Maagd .

In de kapel liggen een aantal kardinalen van Toledo begraven: Gomé (1940), Plá y Deniel (1968), Alameda (1872), Monescillo (1897).

Kapel van de Ochavo – Capilla del Ochavo
Men komt in deze kapel door middel van twee deuren die aan beide zijden van het altaar staan. Men noemt deze kapel ook de kapel van de Relikwieën omdat er hier zoveel relikwieën zijn. De vloer is achthoekig en zij is bekroond door een koepel die op een tamboer rust, het is een werk van Jorge Manuel Theotocópuli.

De muren zijn versierd met marmer en de koepel heeft schilderingen van Francisco Ricci en Juan Carreño. In de retabels tegen de muren worden de relieken bewaard waaronder ook enkele zeer interessante uit artistiek en historisch oogpunt.

Ramen in gebrandschilderd glas

De ramen in de kathedraal zijn prachtige en belangrijke kunstwerken. De kathedraal heeft de meeste gebrandschilderde middeleeuwse ramen die bewaard zijn gebleven. Zij dateren vanaf de veertiende eeuw tot in de zeventiende eeuw.

Een aantal van de ramen uit de vijftiende eeuw zijn gedocumenteerd en zo weten we dat het raam in de grote kapel het werk is van Jacobo Dolfin en zijn bediende Luis.

Een aantal ramen uit de zestiende eeuw hebben renaissance invloeden en hier werkten Vasco de Troya (in 1502), Juan de Cuesta (in 1506) en Alejo Ximénez (in 1509-1513) aan. De ramen aan de Leeuwen poort zijn een werk van Nicolás de Vergara el Mozo.

Aan het begin van de achttiende eeuw moesten er een aantal ramen gerestaureerd worden en dat was een werk voor Francisco Sánchez Martínez die een van de beste restaurateurs was in de kathedraal.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog waren er terug grote vernielingen aan de ramen en de restauratie was volledig afgewerkt op het einde van de twintigste eeuw.

De doorzichtige – El transparente

Wat men de doorzichtige in de kathedraal noemt is een beeldhouwwerk dat gemaakt werd tussen 1729 en 1732 door de grote beeldhouwer uit de barok, Narciso Tomé. Hij werd daarbij geholpen door zijn kinderen. Hij werd plaatsvervangend architect benoemd in deze kathedraal in 1721.

Door de opening in de deambulatorio leggen de zonnestralen de nadruk op de engelen , wolken en stralen rond Maria.

De Kerkschat van de kathedraal, de Monstrans

Het belangrijkste object dat in de kathedraal aanwezig is, is de grote monstrans van Enrique de Arfe. Deze monstrans werd gemaakt in opdracht van kardinaal Cisneros).


Er werd aan gewerkt vanaf 1517 tot 1524. De monstrans heeft een gotisch ontwerp en is van een prachtige architectonische structuur. Van oorsprong werd zij in zilver gemaakt maar op het einde van de zestiende eeuw liet aartsbisschop Quiroga de monstrans vergulden.

In Toledo neemt men de monstrans sinds 1595 in de processie van Corpus Christi mee. Tijdens de processie gaan de burgerlijke en de kerkelijke autoriteiten voor de monstrans en de kadetten van de infanterie school volgen de monstrans.

De monstrans is gemaakt met de hulp van 12.500 bouten, 5.600 diverse onderdelen en 260 figuurtjes. Er is 183 kg zilver en 18 kilo goud gebruikt.

Het klooster

Tegenover de oude Hebreeuwse wijk, aan de noordkant van de kathedraal liet aartsbisschop Pedro Tenorio het klooster en een kapel voor begrafenissen bouwen.


De werken aan het klooster begonnen op 14 augustus 1389 met de eerste steenlegging en de werken eindigden in 1425. Aan het klooster werkten de meesters Rodrigo Alfonso en Alvar Martínez en zij bouwden een constructie met vier gangen.

De bouw van het klooster en vooral de plaats waar Pedro Tenorio het klooster wilde bouwen riepen weerstand op bij de inwoners en bij de eigenaars van de winkels in de toenmalige wijk.

Tijdens de periode waarin de aartsbisschop en de eigenaars discuteerden over de verkoop en de prijs brak er een brand uit die alle winkels vernielde.

Na de ophoging van het terrein begon men met de bouw van het klooster op het niveau van de kathedraal.

In de galerijen op de benedenverdieping is er een reeks fresco's met taferelen van heiligen, Eugenio, Casilda, Eladio. Elf van deze fresco's zijn van de hand van Bayeu en twee zijn van Maella.

De kapel van San Blas in het klooster

De kapel van San Blas vinden we in een opening in de noordelijke hoek van de kloostergang en hij is bedekt met een gewelf. Het doel van de kapel was een ruimte te maken als begraafplaats.

De kapel ligt zeven meter onder het straatniveau en is versierd in twee verschillende delen.

In het eerste deel, vanaf de kroonlijst tot aan het staan er veertig taferelen de richting van de wijzers van de klok. In het lager deel van de kroonlijst zien be taferelen van heiligen. De makers van deze taferelen zijn niet met zekerheid bekend maar het zou kunnen gaan over Gherardo Starnina en Nicolás de Antonio.

Door de vochtigheid in de kapel zijn de taferelen ernstig beschadigd en er konden tijdens de grote restauratiewerken slechts een aantal hersteld worden.

C. Het Klooster van San Juan van de Koningen – El Monasterio de San Juan de los Reyes

Dit klooster behoort toe aan de Franciscaner orde en het werd gebouwd onder de bescherming van koningin Isabel I van Castilië. Het was haar bedoeling om van dit klooster een koninklijk mausoleum te maken, het was een plaats als herinnering aan de slag van Toro en de geboorte van de kroonprins Juan. Het klooster is een van de meest waardevolle voorbeelden van de isabellastijl, gotiek samen met mudejar, in Spanje.


Het klooster is bovendien een herdenkingsmonument voor de verwezenlijkingen van de Katholieke Koningen en zijn politieke programma.

Geschiedenis
Het werd gebouwd voor de Franciscaner orde namens het Katholieke Koningspaar door de architect Juan.

Het belangrijkste doel was dat er hier een koninklijk mausoleum moest komen voor de koningen van Castillië. De Katholieke koningen maakten een eigen bouwstijl die innovatief en stijlvol was.

Beschrijving
Er is slechts een kerkschip. De architectonische vorm is zeer lang en smal. Het kerkschip is verdeeld in secties en tussen de steunberen zijn er een aantal zijkapellen .

Er zijn twee voorgevels, een op het westen en een op het noorden en het heeft een opgehoogd gedeelte. Men heeft een pleintje gemaakt om met bouwkundige middeleeuwse gebruiken te breken. De zijdeur is hier belangrijk.

We onderscheiden het dwarsschip dit verdeeld is in vier vierkanten en het einde is verdeeld in twee vierkanten. Dit model heeft men doorheen het ganse gebouw gebruikt. Het einde is buitensporig groot. De ruimte is perfect hiërarchisch ingedeeld met een ruimte voor de kroon (met traliehek) en een ruimte voor de bevolking.

In de ruimte voor de dood gaan we van vier- naar achthoekig. De ronde kapellen zijn gewijd aan de Maagd, het vuur, de helden, het water en de dood in de klassieke wereld. Het heeft een concept van de eeuwigheid, de slang bijt in zijn staart, er is geen begin en geen einde.

Er is een hiërarchie eigen aan de religieuze ruimtes. De koningen bevonden zich in het koor op dezelfde hoogte als de heilige hostie waarmee men de band benadrukte tussen de koningen en het spirituele.

Het klooster is met de kerk verbonden maar zij zijn toch verschillend. De hoofdingang ligt tussen steunberen De koepel is de architectonische metafoor van de kroon, hij wordt ondersteund door enorme trompen die de achthoekige vorm van de koepel aangeven.


De nieuwigheid die men in de architectuur gebruikt heeft is een versiering die Italiaans van oorsprong is, dit was gebaseerd op de humanistische traditie.

De voorgevel van het klooster heeft een boog met drie middens, rijk versierd met planten versieringen vermengd met een natuurlijke vormgeving.

De kerk
De kerk waarvan de werken beëindigd werden in 1495 is opgetrokken in de typische isabellastijl met een kerkschip en kapellen tussen de steunberen.

De weelderige versiering in de kerk zijn de symbolen van de Katholieke Koningen alsook de adelaar van San Juan.

Binnenin wordt de kerk doorlopen door een herdenkingstekst, die kan beschouwd worden als een aanpassing van de Arabische tekst aan de christelijke architectuur. De beeldhouwer Egas Cueman is verantwoordelijk voor dit werk.

Het retabel van de kerk is van de hand van Antonio de Comontes voor het Hospital de Santa Cruz en het draagt de wapens van kardinaal Mendoza, stichter van het hospitaal. Op het retbel vinden we de volgende taferelen:

  • Jezus op de Weg naar Golgotha
  • De Kruisafneming 
  • Santa Elena met de Wonderen van het Kruis

Het klooster
Het klooster wordt beschouwd als een van de Spaanse pareltjes in de overgang van de gothiek naar de renaissance en het werd ingrijpend gerestaureerd. Er zijn uitbundige booggewelven met een platerescostijl. De verdieping heeft een plafond in mudejarstijl.

D. Het Museum van El Greco

Het museum van El Greco bevat werken van Doménikos Theotokópoulos. Het museum werd opgericht als huis-museum om de werken van de schilder te verzamelen en om zijn leven te laten zien.

Geschiedenis
Het museum werd opgericht op de funderingen van een oud huis uit de zesde eeuw en van een renaissance paleis in de Joodse wijk van Toledo. Het museum kigt dicht bij de plaats waar de schilder heeft gewoond.

Het nieuwe gebouw dateerd uit het begin van de twintigste eeuw en het werd opgericht op initiatief van de markies de la Vega Valle-Inclán. Hij was een van de eerste verdedigers van de kunst van El Greco die lange tijd genegeerd werd door bepaalde academici.

Het museum opende zijn deuren voor het publiek op 12 juni 1911.

Het initiatief om dit museum op te richten kwam er uit schrik dat na verloop van tijd veel van zijn werken zouden verdwijnen, hetzij naar privaat personen hetzij naar buitenlandse musea.
Het museum is onlangs gerenoveerd.

Belangrijke werken
Onder de werken van El Greco die hier worden tentoongesteld zijn:

  • El Apostolado
  • San Bernardino (eigendom van het museum del Prado ) 
  • Zicht op Toledo 
  • El Redentor.

In het museum worden nog werken tentoongesteld van andere belangrijke artiesten uit de zestende en de zeventiende eeuw..


Santa María la Blanca

Santa María la Blanca was oorspronkelijk de Ibn Shushan Synagoge is nu een museum en de voormalige synagoge van Toledo. Opgericht in 1180 is dit zonder twijfel de oudste synagoge in Europa die nu nog bestaat. Hij is nu in het bezit van de katholieke kerk.


Op zowel stilistisch als cultureel gebied is hij uniek en hij werd opgericht in het oude koninkrijk van Castilië door islamitische architecten voor het gebruik door Joden. Deze synagoge wordt beschouwd als een symbool voor de samenwerking tussen de drie grootste godsdiensten op het Iberisch schiereiland tijdens de middeleeuwen.

De synagoge werd gebouwd door Moorse architecten op christelijk grondgebied voor het gebruik door niet islamitische doeleinden. Maar het kan ook beschouwd worden als een van de mooiste voorbeelden van Almohaden architectuur.

De witte binnenmuren alsook het gebruik van bakstenen en pilaren in de plaats van kolommen zijn karakteristiek voor de Almohaden architectuur.

Alhoewel hij gebouwd is als synagogoge doet de gebruikte bouwstijl toch meer denken aan een moskee.

De synagoge werd een kerk vanaf 1405 of 1411 maar er werden geen belangrijke verbouwingen gedaan om het bouwwerk te veranderen.

Ligging
De synagoge van Santa Maria la Blanca ligt in de buitenwijken van Toledo tussen de kerk van San Juan de los Reyes en de synagoge van El Transito.

Ontwerp
Santa Maria la Blanca was een ongewone synagoge zowel in het ontwerp als in de bouw. De plattegrond van de synagoge is een onregelmatige vierhoek verdeeld in vijf gangen met een gangpad in de middenbeuk die lichtjes langer is dan de andere vier. De ruimte is tussen de 26 en 28 meter lang en tussen de 19 en 23 meter breed.

Binnenin zijn er een reeks portieken die ondersteund worden door vierentwintig achthoekige pilaren en acht andere pilaren. De achthoekige pilaren ondersteunen de middenbeuk van de synagoge en zij geven ondersteuning aan de hoefijzer vormige bogen hierboven.

De bogen rusten op uiterst gedetailleerde kapitelen met zeer fijne uitgesneden dennenappels en andere plantaardige motieven. De kapitelen zijn in mudejarstijl.

Begunstiger
Het is onduidelijk wie de beschermheer was van de originele synagoge maar men denkt dat het Joseph ben Meir ben Shoshan, of Yusef Abenxuxen, zou zijn.

Joseph was de zoon van de minister van financiën van koning Alfonso VIII van Castilië. Er zijn ook theoriën die beweren dat Joseph de synagoge heeft weder opgebouwd na rellen tegen de Joden in Toledo en dit zou een verklaring kunnen zijn voor de onregelmatige plattegrond van de synagoge.

E. Hospitaal van Tavera – Museum Duque de Lerma

Het Hospitaal de Tavera is een belangrijk renaissancegebouw in Toledo en het werd opgericht tussen 1541 en 1603 door kardinaal Tavera.


Het hospitaal werd opgedragen aan San Juan Bautista maar het moest ook dienst doen als grafkelder voor zijn stichter, kardinaal Tavera. I

Momenteel is het eigendom van de Casa de Medinaceli en binnenin vinden we het Museo Fundación Lerma die de artistieke collectie herbergt.

Het gebouw
Het gebouw is samengesteld uit twee binnenplaatsen met zuilen, een kerk en een paleis-museum die deel uitmaken van het oude hospitaal.

Het uiterlijk van het gebouw is dat van een Florentijns renaissance paleis met uitzondering van de voorgevel die gebouwd werd in de achttiende eeuw tussen 1760 en 1762.

Het is een normaal gebouw met een Italiaanse gevel met ramen op gelijke afstand van elkaar en rechthoekig van vorm op de benedenverdieping en halfrond in de bovenverdieping. Het geheel is verbonden door twee gelijke patio's met kolommen et twee hoogtes, gescheiden en toch verbonden door een dubbele arcade.

De voorgevel van de kerk is van Genuees marmer. Binnenin de kerk is er een kerkschip en een gesloten kruisbeuk door middel van een koepel met lamp zoals in het El Escorial.

Hieronder vinden we het graf van kardinaal Tavera, een graf dat gemaakt werd in witte marmer door Alonso Berruguete. Het retabel van de kerk was een project van El Greco en het werd gemaakt door zijn zoon Jorge Manuel. De edelsmeedkunst van het sanctuarium was het werk van Julio Pascual.

Het museum
In het museum is er een groot archief van documenten en er zijn tevens een groot aantal artistieke werken met een grote waarde zoals een aantal schilderijen van El Greco, Ribera, Tintoretto, Luca Giordano, Tiziano, Snyders en Jacopo Bassano.

Uniek is een zeldzaam zelfportret van Zurbarán en een kopie van een schilderij van Carlos V te paard in Mühlberg de Tiziano dat geschilderd is door Sánchez Coello, het origineel werk is in het Prado.

F. Het Alcázar

Het alcázar is een vestingwerk dat op rotsen staat en het ligt in het hoger gelegen deel van de stad. In de derde eeuw was dit een Romeins paleis en het werd gerestaureerd tijdens de regeerperiode van Alfonso VI en Alfonso X.  Het werd in 1535 verbouwd onder het mandaat van Carlos I en hij gaf de opdracht aan de architect Alonso de Covarrubias.


Hij ontwierp een gebouw dat compact en gesloten was en georganiseerd werd rond een rechthoekige binnenplaats met een dubbel niveau.

De sobere gevel werd verdeeld in drie verdiepingen waarin op egelmatige afstand openingen (ramen) gemaakt waren. Er is ook een gigantisch wapenschild boven de poort.

In het midden van de negentiende eeuw, tijdens de regeerperiode van Isabel II installeerde men in de toren een telegraaf om gecodeerde berichten te kunnen verzenden en ontvangen tussen Madrid en Cadiz.

De torens die men voor deze lijn gebruikte stonden in tal van andere steden zoals in Aranjuez, Consuegra, Ciudad Real, Puertollano, Fuencaliente; ardeña, Montoro, Córdoba, Carmona, Sevilla, Las Cabezas de San Juan, Jerez de la Frontera, Cádiz en San Fernando.

In het gebouw was de Infanterieschool van Toledo.

Burgeroorlog
Tijdens de Spaanse burgeroorlog van 1936-39 verdedigden de troepen van kolonel José Moscardó gedurende 70 dagen het alcázar tegen de troepen van de Tweede Republiek.

Op 28 september 1936 kregen zij versterking van het Afrika korps van generaal José Enrique Varela en Franco bezocht het alcázar de volgende dag.

7. De website: De Toeristische Dienst van Toledo, de site is beschikbaar in het Spaans, Frans, Engels,Duits, Italiaans en Japans.