Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

De koninklijke kloosters van San Millán de Yuso en San Millán de Suso


  1. Algemeen
  2. Legende van de stichting van het klooster
  3. Het klooster van San Millán de Yuso
  4. Bezienswaardigheden
  5. Het klooster van San Millán de Suso
  6. Geschiedenis
  7. Website

1. Algemeen

Het koninklijk klooster van San Millán de Yuso (yuso staat hier voor «beneden» in het oude Kastiliaans) ligt in het stadje San Millán de la Cogolla, provincie La Rioja.


Het ligt op de linkeroever van de Cárdenas, in de vallei van San Millán. Dit klooster maakt deel uit van een geheel van twee kloosters en het andere klooster is het oudere Klooster van San Millán de Suso (suso staat hier voor «boven» in het oude Kastiliaans).

Dit klooster werd gesticht in 1053 door de koning van Navarro, García Sánchez III van Navarra.

De geschiedenis van de stichting gaat terug op een legende van een mirakel door de heilige Millán (of Emiliano), een jonge priester die hier als een kluizenaar leefde. Toen in 574 Millán stierf op de leeftijd van 101 jaar en zijn volgelingen hem in zijn grot begroeven stichtten zij in de omgeving het eerste klooster, dat van San Millán de Suso. San Braulio beschreef vijftig jaar later het leven van San Millán.

Graaf Fernán González was hem zeer toegewijd. Na de slag van Simancas in 923 waarin San Millán in de verdediging van de christenen verschijnt wordt hij patroonheilige van Kastilië

Na de instelling van het patronaat van Santiago met de eenwording van Kastilië en León tot gevolg bleven de Kastilianen San Millán aanroepen als hun patroonheilige en in de zeventiende eeuw bij de bespreking van de keuze van de patroonheilige voor gans Spanje bleef San Millán de patroonheilige van Kastilië maar hij werd ook mede patroonheilige van gans Spanje.

Op 4 december 1997 werden de kloosters van San Millán, zowel Suso als Yuso, opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

2. Legende van de stichting van het klooster

Koning Garcia was San Milán zeer toegewijd. Toen men hier in de stad het grote klooster van Santa María la Real de Nájera stichtte, waar het hof van het koninkrijk was, moest men dus hier de stoffelijke resten van de heilige naar toe brengen die tot op dat moment begraven lagen in het klooster van San Millán de Suso.

Op 29 mei 1053 legde men de resten van de heilige in een kar die getrokken werd door ossen en begon men aan de reis, tot groot ongenoegen van de monniken die hun patroonheilige verloren. Toen zij de vlakte bereikten en zij dicht bij de rivier gekomen waren weigerden de ossen verder te gaan en men kon hen op geen enkele manier dwingen om verder te gaan.

De koning en de rest van zijn gevolg begrepen dat dit een wonder was en dat het San Milán was die niet verder wou gaan. Hij wilde hier begraven worden. Het was toen dat de koning het bevel gaf om het klooster hier op deze plaats te bouwen. Men noemde dit klooster Yuso (van beneden) in tegenstelling tot het klooster dat boven in de bergen (Suso) lag.

Tot ten minste in 1100 bestonden de twee abdijen, dat van boven, Suso en dat van beneden, Yuso naast elkaar. De eerste bleef trouw aan de traditie, de leidraad bleef de mozarabische afkomst en zij behield de tweevoudige gemeenschap, er bleef plaats voor zowel mannen als vrouwen.

Het tweede klooster werd hervormd naar de regels van Sint-Benedictus. In het begin van de twaalfde eeuw was er een gemeenschap van benedictijner monniken in het grote huis van Yuso.

De tiende en de elfde eeuw was de mooiste periode voor het klooster op het spirituele, religieuze, artistieke en culturele gebied.

In 1809 werden de monniken voor de eerste maal uit het klooster gedreven door een decreet van José Bonaparte maar zij keerden er terug in 1813.

Voor de tweede maal werden zij uitgedreven onder het koningschap van Fernando VII en dat was van december 1820 tot juli 1823. De apotheek van het klooster werd toen tijdens een veiling openbaar verkocht.

De derde maal dat de monniken werden uitgedreven was tijdens de onteigening van de kerkelijk eigendommen van Mendizábal. Yuso werd toen vanaf november 1835 verlaten voor een periode van 31 jaar.

Tussen 1866 en 1868 was het een klooster van de Franciscaner missionarissen van Borneo. Na tien jaar van verwaarlozing werd het terug bezet door de broeders van de Orde van Sint Augustinus. Zij richten hier een plaats van onderwijs in voor de missionarissen die naar de Filipijnen gingen.

Voor de eerste herstel werken onder de verantwoordelijkheid van deze broeders was Fray Toribio Minguella verantwoordelijk

3. Het klooster van San Millán de Yuso

A. Het gebouw

Het gebouw werd oorspronkelijk uitgevoerd in romaanse stijl zoals het in die periode de gewoonte was. Na de vernieling van het klooster werd het terug opgebouwd in de zestiende eeuw maar toen gebruikte men een typische Spaanse stijl, de herreriano stijl.



B. De barok gevel en de zaal van de koningen

Men treed binnen door een barokke poort uit de zeventiende eeuw met Korinthische zuilen  en die een reliëf van San Millán op een paard draagt. Het is het werk van de architect Pablo de Basave en van de beeldhouwer Diego de Lizarraga.

Vanuit de hall komt men in de zaal van de koningen. Zij kreeg deze naam door de vier schilderijen van de vier weldoeners van de abdij. De wapenschilden zijn dat van de abdij en dat van Kastilië. Zij werden uitgevoerd in 1697 en het was het laatste grote bouwwerk van de benedictijner monniken.

C. Het klooster

Het klooster van beneden draagt ook de gelijknamige naam van de processie. De bouw begon in 1549 door Juan Pérez de Solarte en hij koos voor een renaissance stijl met gotische gewelven. Spitsbogen, tussen steunberen bekroond met gotische siertorentjes, slank en ruw bewerkt.


De deur die toegang geeft tot de kerk is versierd in de maniëristische stijl en zij is een werk van de Italiaanse kunstenaar Andrés de Rodi. Zij werd gemaakt in 1554 en zij geeft ons een idee van de versieringen die men in de rest van het beneden klooster wilde aanbrengen maar die nooit zijn uitgevoerd.

De bovenverdieping is klassiek. Toscaanse zuilen, verbonden met pilaren met friezen en kapitelen versierd met drie rozetten en met sierlijsten. Het is verder versierd met vijfentwintig schilderijen van José Vexés die de verschillende wonderen van San Millán tonen.

D. De kerk

De kerk heeft drie beuken met een gewelf dat met sterren bedekt is en met een prachtige koepel. Het werk begon in 1504 tijdens het mandaat van de abt Fray Miguel de Alzaga en het werk was zesendertig jaar later voltooid. De kerk was bestemd om door de monniken gebruikt te worden en daarom was het voorste gedeelte, vanaf het centrale koor tot aan de reliekhouder helemaal voor hen bestemd. Het achterste gedeelte, vanaf de ruimte achter het priesterkoor tot aan de deur was bestemd voor de bevolking als ze naar het klooster mochten komen.

De koorbanken zijn het werk van de Vlaamse houtsnijder Matero Frabricio die het maakte in 1640 naar een ontwerp van een monnik van San Juan de Burgos.

Het heeft een altaarstuk uit de zeventiende eeuw met schilderijen van broeder Juan Ricci. Het middelste schilderij laat San Millán zien tijdens de slag van Hacinas (Burgos) tegen de Moren. Tijdens hun strijd tegen de Moren kozen de christenen San Millán als hun patroonheilige.

E: De ruimte achter het priesterkoor

Dit was de ruimte voor de bevolking. De ruimte is zowel voor het parochie retabel als de toegang tot het grote altaar.


Deze ruimte is een werk van Francisco de Bisou en het is gemaakt in 1767 in Franse rococo stijl. Er zijn versieringen aangebracht van ronde beeldhouwwerken die vermoedelijk het werk zijn van Pascual de Mena. Hier is er ook een preekstoel in platereske stijl uit het einde van de zestiende eeuw. De reliëfs tonen de vier evangelisten.

In het museum zijn er replica's van de reliekschrijnen van San Millán uit de elfde eeuw.

F: Sacristie

Dit is een van de mooiste sacristies in Spanje. In het begin gebruikte men deze ^maats als de kapittelzaal. Architectonisch is de sacristie uit de zestiende eeuw. 


Deze ruimte begon men te gebruiken vanaf het einde van zeventiende eeuw, de eeuw waaruit het schilderwerk stamt dat we nu kunnen zien. De fresco's op het plafond en de centrale tafels dateren uit de achttiende eeuw.

De abt, Fray José Fernández (1693-1697) siert met twaalf koperen gravures de notenhouten kisten. Het retabel in barokstijl heeft een versiering van houtsnijwerk dat Onze Lieve Vrouw van de Engelen toont en zij draagt een scepter en een kroon.

G. De eetzaal

De eetzaal, de refter van de monniken werd gebouwd in 1580. Zij is versierd met een dorische deur, zitplaatsen met ionische pilasters en er is een preekstoel. Voor de constructie nam men in 1597 Juan de Iriarte onder de arm. De veertig tafels dateren uit 1608 en het interieur is compleet bewaard gebleven.

H. De zaal van de taal

Zij is in 1977 ingehuldigd ter gelegenheid van het duizendjarig jubileum van het bestaan van de Kastiliaanse taal. Vandaag staat deze zaal als een symbool voor het klooster. De zaal is versierd met alle wapenschilden en vlaggen van de Spaanstalige landen en van de Filipijnen. Er staat ook een borstbeeld van Gonzalo de Berceo, de eerste dichter die in de Kastiliaanse taal schreef en die de notaris van het klooster was. In deze zaal zijn alle officiële evenementen en conferenties in verband met de Kastiliaanse taal.

4. Bezienswaardigheden

A. De wieg van de taal

Een taal wordt niet geboren op een specifieke plaats of op een specifiek moment maar in het klooster van San Millán tijdens eeuw was er een monnik die bewust en met durf de dagelijkse gebruikstaal op papier zette die de mensen in het dorp gebruikten. Het was niet de bedoeling om er een literair werk van te maken.

Dit boekwerk kreeg de naam “Glosas Emilianenses”. In dezelfde codex vinden we ook de eerste woorden die in het Baskisch geschreven werden.

Daarom vierde men in 1977 in het klooster van San Millán de Yuso het duizendjarig bestaan van de Kastiliaanse taal en staat het klooster bekend als de “Cuna de la Lengua” of “De wieg van de taal”.

In de zaal van de koningen vinden we een gedenksteen die deze gebeurtenis herdenkt en er is ook een reproductie te zien van de bewuste “Codex 60”.

B. Romaanse ivoor

Voor de abdijen en de kloosters was hun grootste schat de relikwieën van de heiligen en dan vooral als het een relikwie was van hun stichter.

Don Blas, abt van Yuso tussen 1067 en 1081 wou een ark voor de relikwieën van San Millán die gemaakt was van de fijnste en de kostbaarste materialen. Aan de buitenzijde is de ark belegd met goud, zilver, edelstenen en ivoren stukken. In het klooster rusten er relikwieën van San Millán en van San Felices uit de twaalfde eeuw.


Er zijn 24 ivoren kaarten, elf aan elke zijde en aan elke voor- en achterkant is er een. In 1809 hebben de soldaten van Napoleon het goud en de edelstenen van de ark weggenomen.

Vandaag is in Yuso de oude ark aanwezig en hier zien we het origineel gebruikte hout en de binnenzijde van de ark uit de elfde eeuw. In de nieuwe ark uit 1944 heeft men het originele ivoor aangebracht.

C. Het licht van de evenaar

Elk begin van de lente en van de herfst, op 21 maart en 21 september is er de equinox. Het zijn de twee dagen van het jaar met een gelijke periode van licht en donker en de zon projecteert zijn licht direct over de lijn van de evenaar.

Ongeveer om kwart over zes uur in de avond kan men in het klooster van Yuso in het centrale deel van de tempel een perfecte cirkel van licht zien. Dit duurt maar enkele minuten.De lichtstraal komt in de kerk door een roosvenster in de achterzijde van de kerk waar de lichtstraal de ruimte achter het priesterkoor verlicht. Dit duid niet alleen de perfecte oriëntatie van de kerk naar het oosten aan maar bovendien heeft het ook een mystieke betekenis.

D. De zaal van de Codexen en van de Zangboeken

Het klooster heeft ook een grote en een belangrijke bibliotheek van zangboeken uit de zeventiende eeuw. Er zijn ongeveer 30 gigantische boeken met een gewicht van tussen de 40  en de 60 kg. Het duurde 4 jaar om een boek te vervaardigen en er ging de huid in van 2.000 koeien.

De bibliotheek bevat de volledige collectie van de gezangen die de gemeenschap tijdens het ganse jaar zingt. Het is een van de vier complete collecties in Spanje.

Naast de zangboeken is er een mooie collectie reproducties. De Codex 46 uit 964, die met de woorden van de gebroeders Turza, een encyclopedie is die 20.000 artikelen bevat met al de kennis en de wetenschap van die tijd.

Dan is er nog Codex 60, de “Glosas Emilianenses” die de eerste geschreven woorden en zinnen in het Kastiliaans en het Baskisch bevat. Verder zijn er de werken van de eerste dichter die in het in het Kastiliaans schref aanwezig. Deze man was Gonzalo de Berceo.

E. Archief en de bibliotheek van Yuso

Het archief is de erfgenaam van de oude schrijfzaal van San Millán en het archief en de bibliotheek worden beschouwd als van de mooiste monastieke bibliotheken van Spanje.

Het archief bevat twee oorkondeboeken, het Galicano en het Bulario. Verder vinden we hier ongeveer driehonderd originele documenten waaronder, rechtszaken, schenkingen, contracten, privileges en aflaten die allen verwijzen naar het kooster, de abdijen en de kerken van San Millán.

Het oudste document is in verband met de stichting van San Miguel de Pedroso in 759. Een van de andere interessante stukken dateert uit 1025 en het gaat over het Baskenland

De bibliotheek, in Venetiaanse stijl dateert uit 1780 en ze bevat een schat aan oude boeken.

Zij heeft dezelfde opstelling als die van de abt Don Anselmo Petite in 1780. Toen de Benedictijner monniken het klooster in 1835 verlieten was de bibliotheek praktisch leeg.

Het waren de augustijner monniken die overgingen tot recuperatie van de boeken die in de omliggende dorpen waren en zij slaagden er in om ongeveer tachtig procent van de originele bibliotheek terug te krijgen.

5. Het klooster van San Millán de Suso

Het klooster van San Millán de Suso of dat van "boven" vinden wij dichtbij het stadje San Millán de la Cogolla, in de provincie La Rioja. Het klooster ligt op de linkeroever van de Cárdenas en het maakt deel uit van twee kloosters. Het ene klooster is Yuso (beneden) en het andere is Suso (boven). Beiden staan zij op de lijst van het Werelderfgoed.



De bouw startte in de late zesde eeuw toen het een van oorsprong Visigotisch klooster was dat dicht tegen het graf van de eremiet Aemilianus (Millán) of Emiliano gebouwd werd die in 574 gestorven was.

Vanaf de volgende eeuw tot in de twaalfde eeuw waren er een aantal uitbreidingen die een invloed hadden op het monastieke leven en we kregen een verschil tussen de Mozarabische en de Romaanse stijl.

Deze wijziging is niet alleen artistiek of religieus maar ook literair en taalkundig. Hier heeft een monnik de “glosas Emilianenses” geschreven en de toelichtingen in de marge waren geschreven in het latijn.

6. Geschiedenis

A. Oorsprong

In de eerste jaren na de komst van de Visigoten op het schiereiland trok Aemilianus (Millán) zich hier op deze plaats terug en ging hij leven als een kluizenaar. Hij was de zoon van een priester.en hij was afkomstig uit Vergegium, het huidige Berceo. 

Hier leefde hij als eremiet en hij woonde er in een kleine cel. Toen hij stierf op 101 jarige leeftijd werd hij begraven in een in de rotsen uitgehouwen graf. Er is veel bekend over zijn leven omdat het neergeschreven was in het latijn door de bisschop van Zaragoza,

Braulio. Gonzalo de Berceo die opgeleid was in het klooster maakte een vertaling vanuit het latijn naar de gewone spreektaal.

Het kleine klooster is gebouwd rond de cel van de eremiet. Tijdens de eerste periode, vanaf de vijfde eeuw tot het begin van de zesde eeuw, hebben zij grotten uitgegraven en die kregen twee niveaus, een voor de bewoning en een voor het monastieke leven.

B. Visigotisch klooster

Tussen de zesde en de zevende eeuw veranderde het eremieten leven naar het klooster leven en dat vereiste de bouw van een gezamenlijk gebouw. Het was de eerste constructie met twee delen met een gewelf die zich meer aan de rechterzijde bevinden tussen het bestaande klooster en waarvan momenteel nog de muren en verschillende visigotische bogen bestaan.

C. Het Mozaraben gebouw

In het eerste deel van de tiende eeuw verliet men het Visigotisch klooster en bouwde men een Mozarabisch klooster dat in 954 ingewijd werd door García Sánchez I, de eerste koning die zich vestigde in Nájera. Uit deze tijd komt de inkom en het grote kerkschip van de kerk is gebouwd met gewelven in twee verschillende stijlen

In 1002 brandde het klooster af en alle stucwerk in de mozarabische stijl verdween.

D. De romaanse uitbreiding

In 1030 heeft Sancho III de Grote omwille van de heilig verklaring van san Millán het klooster gerestaureerd en hij vergrootte het klooster in westelijke richting met twee bogen met halve punten en hij veranderde de richting van het altaar naar het oosten.

In de elfde en de twaalfde eeuw kwamen er nog enkele uitbreidingen bij en men bouwde muren en poorten boven de grotten van de eremieten.

E. Beschrijving van het klooster

Er zijn drie belangrijke zaken die we eerst onder ogen moeten zien:

  1. Het metselwerk aan de achterzijde van de toegangspoort heeft een kern van het oude visigotische werk.
  2. De versiering van de vloer heeft grijze keien en rode bakstenen en zij vormen rozetten en swastikas. Deze vorm staat bekend als het portalejo tapijt. Het is een mozarabisch werk uit het begin van de elfde eeuw en het gaat over Gonzalo de Berceo en het Leven van Santa Oria Het beschrijft de kamer waar de tombes zijn van beroemde personen die hierna beschreven worden.
  3. Aan de linkerkant van de galerij zijn de sarcofagen van de zeven kinderen van Lara en in het midden is de sarcofaag van de leermeester, Nuño. In deze ruimte vinden we ook de graftombes van Toda, Ximena en Elvira, koninginnen van Navarra. Van hieruit heeft men een prachtig zicht over de vallei van Cárdenas. Als zijsteunen zijn er kolommen er zij hebben enkele interessante kapitelen.

Sarcofaag van Lara

Daarna gaat men door een deur en komt men in het heiligdom die een rustieke en primitieve poort zonder sleutel heeft, iets wat typisch is voor de Visigoten. 

Tegenover deze poort zijn de drie heiligdommen die uitgegraven zijn in de rotsen. De meest oostelijke grot is vermoedelijk een van de oudste grotten en men denkt dat het de grot van de heilige zelf is.

Dit is het oude Visigoten klooster en het bevat een reeks grotten die verdeeld zijn over twee verdiepingen. San Millán lag hier begraven tot zijn stoffelijke resten in 1053 overgebracht werden vaar het klooster van Yuso.


In het klooster van Suso is zijn praalgraf achter gebleven dat gemaakt is in romaanse stijl en het standbeeld toont hem in liggende houding.

De steunen voor de kroonlijst van dit gebouw zijn de de meest luxueuze die we kennen uit de traditionele bouwstijl en zij zijn gelijk aan die aan de gevel van de moskee van Córdoba. Zij zijn gebaseerd op de klassieke swastika's, rozetten en zespuntige sterren.

Er is een driehoekig aanhangsel toegevoegd in het centrum van het vooraanzicht, bewerkt en versierd met een zonnerad en met driehoekige lijnen. Men kan zeggen dat hier de echte barokke – mozarabische stijl gevonden wordt. De kerk heeft twee beuken.

F. De nieuwe cultuur

De geografische ligging van dit kleine klooster is van een groot belang voor de relaties met andere vormingscentra. Hier vinden we Kastiliaanse en Franse invloeden maar er zijn ook invloeden van de monniken van Silos en Albelda.

Het klooster ligt dicht tegen de Weg naar Santiago en er zijn mozarabische en Visigotische invloeden.

7. Website: Het koninklijk klooster van San Millán de Yuso, de site is beschikbaar in het Spaans. Het klooster van San Millán de Suso, deze site is dezelfde als de voorgaande en dus enkel beschikbaar in het Spaans.