Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

Het koninklijk Klooster van Poblet


  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. De organisatie va het klooster
  4. Huizen, eigendommen en rechten
  5. De abt en de monniken
  6. Het klooster
  7. De kerk
  8. Retabel van Damián Forment
  9. Beschrijving van het retabel
  10. De sacristie
  11. Het klooster
  12. De eetzaal 
  13. Andere gebouwen van het klooster
  14. Paleis van koning Martín el Humano
  15. Koninklijke graven
  16. Website

1. Algemeen

Het Real Monasterio de Santa María de Poblet is een prototype van een Spaans Cisterciënzer klooster. Het ligt in de streek van Cuenca de Barberá, in de gemeente Vimbodi i Poblet, provincie Tarragona. Het eerste klooster werd gepatroneerd en gestimuleerd door Ramón Berenguer IV, graaf van Barcelona die het klooster aan de bernardijnen monniken van de abdij van Fontfroide gaf in 1149.

Het was de koninklijke grafkelder van de kroon van Aragón, vanaf het einde van de veertiende eeuw tot de stopzetting van dit huis in de vijftiende eeuw.

Dankzij schenkingen van koningen en adel bereikte het klooster zijn hoogtepunt in de veertiende eeuw tot zijn totale verval en verlating in 1885 als resultaat van de inbeslagname van Mendizábal. In 1930 begon de restauratie en in 1935 kon men de kerk terug gebruiken voor de eredienst. In 1940 kwam de abt met enkele monniken terug.

In 1991 werd het klooster opgenomen op de lijst van het werelderfgoed van de UNESCO.

2. Geschiedenis

De oorsprong van de naam Poblet komt van het latijn populetum (populierenbosje). Deze plaats was altijd rijk aan vegetatie en populieren bossen. Dit resulteerde in 1984 tot het uitroepen van dit gebied als “Natuurpark met landelijk belang”. Het park is 2.100 hectaren groot en er zijn 50 natuurlijke bronnen.

Het klooster van Poblet was een stichting van de graaf van Barcelona, Ramón Berenguer IV die in 1150 de gronden van Populetum aan de Franse abdij van Fontfroide gaf toen Sancho I de Provenza er abt was. Fontfroide was een onderdeel van de abdij van Clervaux.

De gronden die aangeboden werden lagen in de Conca de Barberá in de gemeente Vimbodi dichtbij Espluga de Francoli met in de nabijheid de bergen van Prades. Dit gebied voldeed aan de eisen van de Cisterciënzers om een abdij te bouwen, het was een afgezonderd gebied, er was overvloedig water en voldoende grond voor de landbouw.

Met de stichting van deze abdij waren er nu vier grote cisterciënzer abdijen, Clairvaux, Gran Selva in de Languedoc, Fontfreda in de buurt van Narbonne en Poblet. Poblet was de eerste abdij die gesticht werd onder de leiding van de abt Guerrau in 1153. In gevonden documenten vinden we het bewijs dat de burggraaf van Cardona twee jaar vroeger een donatie heeft gedaan. Gedurende eeuwen werden er regelmatig donaties gedaan door de koninklijke familie en door de rest van de adel. Dankzij al deze giften kon de bouw van de abdij verder gaan, zowel aan het klooster als aan de kerk.



In 1340 liet Pedro III er het pantheon voor koningen en edelen bouwen waar er plaats was voor 16 overledenen. De keuze van deze begraafplaats ging gepaard met belangrijke donaties van gronden, mensen en geld. Bovendien werden er kapellen bijgebouwd zoals de kapel van Urgel en Argensola. De belangrijkste families van Catalonië hadden hier hun plaats: Condes de Urgel, Cervera, Cardona, Puigvert, Boixadors.

Het klooster van Poblet stond sinds zijn stichting onder de bescherming van de koning. Met het beëindigen van het huis van Aragón begon er een neergang van het klooster maar sommige abten probeerden nog nieuwe werken te laten uitvoeren. Daaronder is zeker abt Caizal die de meest befaamde beeldhouwer Damián Forment onder de arm nam om een retabel in steen te maken voor de grote kapel (1526-1531). Dit was een uitzonderlijk werk, ook wat de kosten betreft.

Tijdens de politieke veranderingen in de negentiende eeuw met zijn burgeroorlogen kwam het klooster terecht in een periode van verval. In 1822 werden de bezittingen verkocht en werden de monniken uitgedreven uit het klooster.

Nadat het klooster verlaten was en overgelaten werd aan zijn lot kreeg het gebouw gedurende enkele jaren brandstichting en plundering te verduren. In 1825, tijdens de absolute heerschappij van Fernando VII kwamen de monniken terug en zij trachtten hun orde te herstellen. Ook begonnen zij met de schade te herstellen aan de gebouwen en met het recupereren van de gestolen schatten.

Maar de strijd tussen de liberalen en de absolutisten ging verder en het resultaat was fataal voor meerdere abdijen en kloosters in Catalonië.  Voorbereid op het ergste namen eerst de jongere en daarna de oudere monniken de beslissing om het klooster terug te verlaten en zij zochten hun toevlucht tot particuliere woningen.  Bij het verlaten van het klooster namen zij de meest waardevolle bezittingen met zich mee en brachten deze onder bij particulieren. In het klooster bleef de bibliotheek, de archieven en de koninklijke graftomben achter en wachten op nieuwe plunderingen.

In 1833 tijdens de eerste Carlistische Oorlog werden de graftombes verder vernietigd in een zoektocht naar juwelen en goud. Later werden toch nog voldoende archieven en overblijfselen gerecupereerd en tijdelijk overgebracht naar Tarragona om daar bewaard te worden.
Na alle brandstichtingen, plunderingen en verwaarlozing was het complex uiteindelijk een vergeten ruïne geworden. In 1930 werd het Patronaat van Poblet opgericht om hulp te geven aan de wederopbouw en in het recupereren van de verdwenen oude stenen en kunstwerken.

Er werd ook een Broederschap van de Vrienden van het Klooster opgericht en met deze hulp kon een groot gedeelte van de gebouwen hersteld worden. In 1940, na de burgeroorlog kwam er een groep monniken terug naar het klooster.

Vandaag de dag wonen er nog altijd cisterciënzer monniken op het terrein en zij bewaren er het domein en zij verbouwen er een kleine hof. Er is ook een mogelijkheid om in het klooster bij de monniken op retraite te gaan, er is plaats voor 12 gasten die zich tijdelijk willen terug trekken uit de maatschappij en er zich spiritueel willen herbronnen.

3. De organisatie va het klooster

Poblet is een van de grootste en mooiste exemplaren van cisterciënzer kloosters. De historicus-generaal van de orde, pater Manrique schreef hierover in zijn werk:

Populetum… toto orbe christiano nulli secundum

Sinds de oprichting van het klooster is het hier op deze plaats de bedoeling geweest om een plaats van rust te creëren met een plaats voor landbouw, bosbouw en die beschikte over voldoende water. Aan het hoofd van elke boerderij stond er een monnik die aan het hoofd stond van een groep leken, dorp bewakers, tuinmannen. Op het einde van de zeventiende eeuw bezat het klooster 17 van dergelijke boerderijen.

Poblet verzamelt alles wat nodig is om te overleven zonder deze plaats te moeten verlaten. Men had hier een bevolking zoals bijvoorbeeld in Clervaux. Bijgevolg kon men op Poblet een ziekenhuis, een apotheek, begraafplaatsen, kruidentuinen, molens, bakkerijen vinden en er was zelfs een gevangenis omdat de abt dezelfde bevoegdheid had als een feodale heer.

4. Huizen, eigendommen en rechten

Het klooster werd meester van de vele cisterciënzer huizen in de belangrijkste steden van Catalonië. De belangrijkste hiervan stonden in:

  • Klooster van in Aragón
  • Klooster van Benifassá in de gemeente Pobla de Benifassá (Valencia)
  • Koninklijk Klooster in Mallorca 
  • Priorij van San Vicente in Valencia 
  • Klooster van Nazaret in Barcelona 
  • Tallat op de grens van Tarragona met Lérida

Het klooster had de rechtspraak verworven over 7 baronieën met daarin 60 dorpen en zij mochten de burgemeester aanduiden in 10 dorpen

Het klooster bezat in eigendom en de abt was dus de heer van:

  • Kasteel en landhuis van Verdú
  • Kasteel van Monargues

Bovenop dit alles kwamen er dan nog de jachtrechten op de koninklijke gronden en de rechten op de zoutwinning van Cardona en de visrechten van Ampurias.

5. De abt en de monniken

De abten van Poblet hadden een enorme juridische macht die zij niet enkel over hun kloosters en eigendommen uitoefenden maar zij brachten het vaak tot vicaris generaal van de cisterciënzer orde en van de koninkrijken Aragón en Navarra. In de Cortes (parlement) van Catalonië hebben zij een voorbehouden plaats. Koning Pedro IV kent aan de abten (bij afwezigheid van de abt aan de aangewezen monnik) de titel toe van koninklijk aalmoezenier. Zij mochten tevens de koning vergezellen bij zijn veldslagen en zij werden regelmatig als raadgever en ambassadeur aangewezen.

Pedro II gaf hen de titel van archivaris die het koninklijk archief moest beheren. Ter grote uitzondering werden de abt en de monniken vrijgesteld om in rechtszaken de eed af te leggen, hun woord stond hoger aangeschreven dan de eed van gewone mensen.
Met een mandaat van Jaime I in 1922 kreeg het klooster van Poblet het recht om het koninklijk schild te dragen als teken dat zij onder de hoge bescherming van de koning stonden.

6. Het klooster

De hele monastieke behuizing bestaat uit 3 omsloten ruimten die van elkaar gescheiden zijn maar die met elkaar in verbinding staan door deuren of poorten.

A. Eerste ruimte

De Puerta de Prades is de ingang van de eerste ruimte, De poort heeft de vorm van een grote halfcirkelvormige boog. Boven de poort is er een nis met een beeld van de Maagd Maria, de beschermheilige van het klooster. We zien hier ook het schild van de abt Fernando de Lerín (1531-1545) en dat is de kruik met de witte lelies of de iris (het teken van zuiverheid) en de initialen PO wat staat voor Poblet.

In de eerste ruimte vinden we ook de woningen van de arbeiders, de werkers en de lekenbroeders. De abt Guimerá (1564-1583) liet hier de bouw toe van een waterput, een drinkbak voor dieren en andere watervoorzieningen. Alle voorzieningen hier werden gemerkt met zijn schild in steen, twee rode riemen op een gouden veld.

We vinden ook nog het huis van de monnik portier, een taak die ingesteld werd tijdens de periode van de abt Fernando Lerín, en daarom vinden we zijn schild hier ook.

Na het passeren van een steegje komt men aan de toegangspoort naar de tweede ruimte. Deze poort noemt men de Puerta Dorada (Gouden Poort) en dat is een allusie op het vergulden van de bronzen platen op bevel van koning Felipe II in 1564 toen hij in het klooster verbleef ter gelegenheid van de Heilige Week. Deze poort we gebouwd onder de periode van de abten Delgado en Juan Payo Coello (1480-1499) en het is een voorbeeld van een militaire poort. De schilden van beide abten staan op de gevel onder de grotere schilden van Aragón, Sicilië en Castilla. Deze schilden verwijzen naar de koningen Juan II en Fernando de katholieke. De bouw van de poort was klaar in 1493 want de Katholieke Koningen bezochten in dat jaar het klooster en ze waren vergezeld door hun kinderen, de kroonprins Juan en de prinsessen Juana, Isabel en Catalina.

Aan deze poort hield men toen de verwelkomings ceremonie voor de koningen die Poblet bezochten. Er waren rijk versierde bidstoelen en eenmaal neergeknield gaf de abt de Lignum Crucis kus. Nadien ging men verder in processie onder baldakijnen en zongen het Te Deum vergezeld van hun gevolg en de monniken van deze gemeenschap. Zij kwamen in de tweede ruimte door de Gouden Poort en in de kapel van Santa Catalina gingen ze weer verder in gebed om uiteindelijke in de afzonderings ruimte van het klooster te komen.

In de eerste ruimte vinden we ook de kapel van San Jorge die gebouwd werd door koning Alfonso V de Grootmoedige. Hij deed dit als dank voor de overwinning de hij had behaald op Napels in 1442 ten tijde van de abt Conill. De kapel heeft de naam van San Jorge maar zij is opgedragen aan de Virgen del Rosario, San Miguel en San Jorge omdat deze drie de koning bescherming hebben geboden tijdens de verovering van Napels. De drie afbeeldingen van deze beschermheiligen waren afgebeeld op het verdwenen retabel van de kapel.

De kapel van San Jorge heeft een rechthoekig vloeroppervlak, met een deur in gotische stijl die geflankeerd is door zuilen die eindigen op siertorentjes. De voorgevel draagt de schilden van Alfonso V van Aragón, van Napels en van de abt Cornil.

B. Tweede ruimte

Eenmaal men door de Gouden Poort is komt men op een groot plein, de Plaza Mayor. Het heeft een onregelmatige vorm maar er staan enkele interessante gebouwen op. In rechte lijn naar achter ziet men een deur die toegang geeft tot het atrium van de kerk van het klooster. Deze deur is in barokstijl en dateert uit de zeventiende eeuw. Zij is gebouwd door de hertog van Cardona in 1670. De toegang naar het atrium of de galerij langs waar men toegang had tot de kerk was strikt geregeld. Aan beide zijden van de deur zijn er beelden van San Benito en San Bernardo en een beeld van de Heilige Maagd in een nis.

In het midden van het plein en tegenover de voorgaande deur staat er een groot stenen kruis dat opgericht is door de abt Guimerá in de zestiende eeuw.

In het noorden van het plein is er een zeer sobere kapel en die is gebouwd in 1251 en ze is opgedragen aan de Heilige Catalina. De kapel is gebouwd door Ramón Berenguer IV en het was de plaats waar de eregasten konden bidden voor zij het klooster betraden. Gedurende vele jaren bewaakte een beeld van de Virgen de los Cipreses de kapel. Men heeft toegang tot het interieur door een deur in romaanse stijl.

Andere gebouwen die rondom het plein zijn::

  • De vreemdenkamer, momenteel staan er enkel de overblijfselen
  • Nieuw Paleis voor de abt, een gebouw dat gebouwd is voor de abt Francisco Oliver de Boteller in 1583. De gang of de galerie geeft direct toegang tot de kerk. Wanneer men dit gebouw bouwde lag het paleis in de tuinen, buiten de gesloten ruimte. 
  • Hospitaal voor de armen, gebouwd in 1207 dankzij de giften van Bernardo de Granyena. 
  • Oud Paleis voor de abt, hier verbleven de dames uit het gevolg van Isabella de Katholieke toen zij en haar familie het klooster bezocht.

C. Derde ruimte

Op enkele meters van de barokke toegangsdeur naar de kerk zien we de Puerta Real (Koninklijke Poort), die ingeklemd is tussen twee torens. Deze torens lijken op de torens van Quart in Valencia.

Deze laatste omsloten ruimte bevat alle kamers van het eigenlijke klooster, en dat is de afgesloten ruimte die alleen voor de monniken toegankelijk was. Dit deel is omringd door een vestingmuur die gebouwd is door Pedro IV als bescherming voor het klooster maar ook als bescherming voor het koninklijk pantheon dat hij in de kerk liet oprichten.

De werken stonden onder de leiding van zijn plaatsvervanger broeder Guillén de Agulló (1367-1382). De muur heeft een omtrek van 608 meter, hij is 11 meter hoog, 2 meter breed en de muur is voorzien van kantelen en schietgaten. De muur werd bijkomend verdedigd door 12 veelhoekige torens. Twee van hen staan naast de koninklijke poort. De torens hebben namen, die naast de nieuwe sacristie is de “torre de las Hostias” en de volgende toren is de “torre de los Locos”. Andere torens zijn die van del Prior, del Aceite, del Rincón, de las Armas, de San Esteban, del Zapatero en die van del Cardenal.

De Puerta Real (Koninklijke Poort) is in feite een militaire constructie uit de veertiende eeuw. De deuropening heeft een boog met een halve punt, met een grote gewelfsteen en op elke sluitsteen staat er een engel die het wapenschild van de kroon met twee klauwende leeuwen laat zien. Aan beide zijden staat er een zegel van Pedro IV en op een van hen staat er in het latijn:

“Dit werk is begonnen ten tijde van Pedro, koning van Aragon”.

Eenmaal men door de poort is gegaan ziet de bezoeker aan zijn linkerkant de overblijfselen van wat eens de kamers waren van de bekeerlingen en de lekenbroeders. Aan de rechterkant zijn er stenen trappen die leiden naar het paleis van Martin de Humane, zij dateren uit het begin van de vijftiende eeuw.

Tegenover de Puerta Real zijn wij het atrium of de vestibule van het klooster, dit is gebouwd door de abt Ponce de Copons. Aan de linkerkant van het atrium zijn er de wijnkelders, staan er gebouwen die vroeger dienst deden als eetzaal van de bekeerlingen en de lekenbroeders.

Boven dit verblijf bouwde men in de veertiende eeuw de slaapzaal van de oudere monniken. In 1983 bracht men hier het museum van de restauratie van het klooster onder.
Aan de rechterzijde van dit atrium zijn de wijnpersen uit de dertiende eeuw, dit waren oorspronkelijk de slaapkamers van de lekenbroeders. De zuidelijke muur is bevestigd aan de noordelijke muur van de kerk.

In het oosten van de ommuurde binnenplaats zien we de oudste gebouwen uit de twaalfde eeuw: de kapel van San Esteban en het verpleeghuis. Hier vinden we ook de Koninklijke Kamers uit de veertiende eeuw. In de noordoostelijke hoek bouwde men de moderne kamers voor de oudere monniken.

7. De kerk

Vanaf de open barokke poort in de oostelijke muur heeft men toegang tot het atrium van de kerk die gebouwd werd op het einde van de dertiende eeuw, zoals ook het roosvenster in de oostelijke muur die het licht binnenlaat in het centrale kerkschip.

Het atrium is overdekt met een kruisgewelf. De kerk heft twee altaren, een uit de zestiende eeuw dat opgedragen is aan Santo Sepulcro, dit altaar is bewaard gebleven en gerestaureerd. Het andere altaar is opgedragen aan de Virgen de los Ángeles, van dit altaar is niets overgebleven maar er is nu een gotische Calvarie in de plaats gekomen.

De bouw van de kerk gebeurde tijdens het koningschap van Ramón Berenguer IV en van Alfonso II de Aragón. De kerk is gebouwd in romaanse stijl toen abt Hugo in functie was.
De kerk heeft een basiliekale plattegrond 3 beuken die gescheiden worden door kruisvormige pilaren met wandzuilen.

De noordelijke beuk is in romaanse stijl met een kruisgewelf, de centrale beuk is ook in romaanse stijl maar hier is een tongewelf en de zuidelijke beuk is in gotische stijl, deze beuk werd gerestaureerd door de abt Copons in 1330. Dit is ook in dezelfde periode dat men de zeven kapellen bouwde en dat dezelfde abt een achthoekige koepel liet optrekken in een gotische stijl die gerestaureerd werd tussen 1979 en 1981. Op dat moment had men door de groei van de gemeenschap meer altaren nodig. Vandaar dat er koorafsluiting met twee apsissen en een kooromgang met vijf apsis kapellen werd gebouwd.

Men bewaard in het koor het altaar van het Heilig Graf, een stuk uit marmer in renaissance stijl. In het huidige gebouw bewaard men men twee grote schatten: het retabel van Damián Forment en de koninklijke graven

8. Retabel van Damián Forment

Dit retabel is gemaakt in albast en het is van de hand van Damián Forment die het werk maakte tussen 1527-1529. Abt Pedro Caixal gaf de opdracht aan de kunstenaar en men kwam toen een prijs overeen van 4.060 dukaten, plus de kosten voor kost en inwoon voor de kunstenaar en zijn helpers. 



9. Beschrijving van het retabel

Het werk is ingedeeld in vier delen. Het eerste en het derde deel beelden taferelen uit van het leven van Jezus, het tweede deel is aan de Maria gewijd met aan weerszijden mannelijke en vrouwelijke heiligen en in het vierde deel flankeren de twaalf apostelen de centrale figuur, de Verlosser welke ook groter wordt weergegeven.
Verder is dit kunstwerk afgewerkt met een kruisweg en de bouwkundige elementen worden hier en daar herhaald.

10. De sacristie

De oorspronkelijke sacristie stond op de plaats van de kapel waar zij een tijd de monniken diende toen zij het eerste deel van de grote kerk bouwden.

De nieuwe sacristie is een gebouw dat ligt in het uiterste zuidelijk deel van het dwarsschip. Het werd gebouwd onder de abt Baltasar Sayol (1732-1736). Deze sacristie is overdekt met zijn eigen koepel. De versiering hier is het werk van Flaugier en zijn assistent Gutiérrez. De sacristie werd gerestaureerd in 1984.

11. Het klooster

Het klooster ligt ten noorden van de kerk waarmee ze in verbinding staat door middel van een deur in romaanse stijl. Het klooster werd gebouwd in opeenvolgende fases, waarin soms nieuwere delen oudere vervingen.
De kapittelzaal is bereikbaar vanuit de kloostergang, via een romaanse poort. Deze zaal is een grote zaal en overdekt met een kruisgewelf. Vier achthoekige slanke zuilen ondersteunen de negen palmvormige gewelven.

12. De eetzaal

De eetzaal werd in de twaalfde eeuw gebouwd tegen de wasfontein van het klooster en zij wordt nog steeds gebruikt. De eetzaal is een rechtvormige ruimte van 33,5 meter lang en 8,25 met breed die overdekt is met een kruisgewelf. Binnenin wordt de eetzaal verlicht door twaalf grote ramen.
Na de veranderingen en de ongelukken waaraan het klooster bloot stond in de negentiende eeuw en de eerste jaren van de twintigste eeuw is het klooster al behoorlijk gerestaureerd.

13. Andere gebouwen van het klooster

De kloostergalerij of de kapel van San Esteban of de ziekenzaal vinden we in het kloostergedeelte in het uiterste zuiden. Het is een vierhoekig gebouw met aan de korte zijden 4 en 5 bogen en aan de lange zijden zijn er 9 pilaren zonder kapitelen. De versiering is zeer simpel met planten motieven. XV.
De spreekkamer is een ruim vertrek en is overdekt met gewelven zonder consoles. Het heeft kapitelen in romaanse stijl maar het lijstwerk van de bogen is in gotische stijl.

14. Paleis van koning Martín el Humano

Dit paleis staat in de derde ruimte en is geïntegreerd in de oudere gebouwen van het klooster. Het klooster bezet de bovenste verdiepingen boven het atrium, de perserij en het voorportaal. Vanuit architectonische oogpunt is dit een van de juweeltjes van burgerlijke gotische bouwstijl in Catalonië. De bouw werd begonnen tijdens het bewind van Martín I el Humano. Na de dood van de koning ging met echter niet verder met de bouw van het paleis. De architect was Arnau Bargués, die ook het Casa del Consell de Cent de Barcelona bouwde. In 1966 is men dan begonnen met de afwerking en restauratie van het gebouw. Momenteel is het de zetel van het museum van het klooster.

15. Koninklijke graven

Het klooster van Santes Creus en het klooster van Poblet zijn de eigenaars van de koninklijke grafkelders van de koningen van Aragón. Het was koning Pedro IV, samen met de abt Copons die in 1340 de beslissing namen om de wens van koning Alfonso II in vervulling te laten gaan om in het klooster een koninklijke grafkelder te bouwen. 



A. Andere graven

Zowel in de kerk als in het klooster, binnen en buiten, maar altijd op het domein van het klooster zijn andere grafplaatsen van personen van koninklijk bloed, van adel en abten van het klooster.

B. In de kerk

  • Edmundo de la Croix, de abt-generaal, hij is overleden in de priorij van Nazareth in Barcelona in 1604. Jij ligt begraven aan de voet van het bordes naar het koor.
  • Alfonso el Magnánimo hij ligt begraven in een tombe het dichtst bij het altaar.
  • Enrique de Aragón, broer van Alfonso el Magnánimo, de eerste hertog van Segorbe. Zijn tombe is tegenover die van zijn broer.
  • Martín el Humano, hij ligt begraven in het uiterste eel van het dwarsschip, in de kapel van San Benito. Dit is een nieuw werk van Frederic Marés, en het is betaald door de stad Barcelona Barcelona. 
  • De kinderen van Pedro IV, wier overblijfselen begraven liggen in de kapel van San Benito. 
  • Francisco Roures, wijbisschop van de aartsbisschop van Tarragona, hij is overleden in 1558. 
  • Juana de Aragón, gravin van Ampurias, dochter van Pedro IV, overleden in 1384, zij ligt begraven in stenen sarcofaag. 
  • Prinsen, zonen van Juan I liggen begraven in kleine sarcofagen aan de deur van de oude sacristie.

C. In het klooster

Vroegere abten liggen levenslang begraven in de kapittelzaal, onder elf grote grafstenen. De grafstenen dragen allen het wapenschild en de naam van elk van deze abten.

D. Andere plaatsen:

Er zijn in Poblet een reeks van eenvoudige stenen kisten, sommigen dragen een een wapenschild en anderen hebben geen inscriptie. Zij zijn onder gebracht aan de buitenmuur van de kerk of op de begraafplaats van de monniken en de lekenbroeders. Dat zijn de graven van de edelen en de grote handelaars die behoorden bij de Broederschap. Zij konden begraven worden in het klooster.

Hier liggen de families Cabrera, Montcada, Alcaraz, Boixadors, Granyena, Puigvert Montpahó en sommige anderen. Anderen zijn begraven in de kapellen van de kerk of aan de muur van het klooster en dat zijn dan de families Anglesola, Pons de Ribelles, Urgel, Cervera, Jorba, Timor, Guimerà en Copons.

16. Website: Klooster van Poblet, de site is beschikbaar in het Catalaans, Spaans en het Engels.