Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

Parque Nacional de Ordesa en Monte Perdido


  1. Geschiedenis van het park
  2. Beschrijving
  3. Plantengroei
  4. Flora
  5. Fauna
  6. Website


1. Geschiedenis van het park

De vallei van Ordesa is Nationaal Park sinds 1918 dankzij de Fransman Lucien Briet, welke het niet moe werd om bescherming voor deze streek  te vragen aan de regering in Madrid.

Uiteindelijk werd op 16 augustus 1918 de vallei van Ordesa als Nationaal Park aangewezen door middel van een koninklijk besluit en de grootte van het park werd bepaald op 2.100 ha. Op 13 juli 1982 werd de oppervlakte van het park vergroot tot 15.608 ha en kreeg het een nieuwe naam “Parque Nacional de Ordesa y Monte Perdido”. Het park heeft nu een hoogteverschil van 2.600 meter, vanaf 750 meter in Añisclo tot de 3.355 meter op de Monte Perdido.

In september 1988 werd er een Document van Samenwerking ondertekend met het aangrenzende Parque Nacional de los Pirineos Franceses, in Frankrijk, om samen te gaan werken bij het behoud van dit natuurgebied, vrijwel ongerept en uniek in de wereld.

In het reservaat van de Biosfeer Ordesa-Viñamala is er een speciale zone voor de bescherming van vogels.

Het park en zijn omliggende beschermingszone strekt zich uit over de gemeenten Torla, Broto, Fanlo, Tella-Sin, Puértolas en Bielsa.

2. Beschrijving

De topografie van het park wordt gedomineerd door het massief van de Tres Sorores, Treserols en dit is het grootste massieve kalksteen gebergte van Europa.

De hoogste top is de Monte Perdido, welke in een min of meer radiale vorm naar beneden daalt met een reeks impressionante bergkammen en valleien met gletsjers.

De meest karakteristieke is de vallei van Ordesa, doorsneden door de rivier de Arazas, dit is het oorspronkelijke deel van het Nationaal Park, de vallei gaat in de oost-west richting, maar er is ook een speciale vermelding voor de Canon van Añisclo welke doorsneden wordt door de rivier Bellós in de noord-zuid richting, van de Gargantas de Escuaín van waar de rivier de Yaga vertrekt in de zuidoostelijke richting en de vallei van Pineta die doorsneden wordt door de Cinca en de oostelijke richting.

Hoewel het geen deel uitmaakt van het Nationaal Park is er een speciale vermelding voor de vallei van Bujaruelo, deze vallei ligt in het westen en op het het Franse grondgebied de vallei van Gavarnie waar er een gletsjer is met de hoogste waterval van Europa met een val van meer dan 400 meter.

De fundamentele morfologie van het park is te wijten aan de van de Alpijnse hoogten uit het Tertiair, later gevormd door erosie welke veroorzaakt werd door gletsjers tijdens het kwartair welke een aantal valleien hebben gegeven zoals de vallei van Ordesa en de vallei van Pineta.

Vandaag de dag blijft er nog een gletsjer over aan de noordelijke kant van de Monte Perdido.

Het grootste deel van de rotsen in het Nationaal Park bestaat uit kalk, door de veelvuldige erosie is er hier een streek ontstaan met veel grotten, ravijnen en afgronden. Hier moeten wij een speciale vermelding geven aan de Cañon de Añisclo en de Gargantas van Escuaín.

De hoogste zones van het park, met hoogtes van meer dan 2.000 meter) zijn extreem droog. omdat al de neerslag snel opgenomen wordt door de kalkachtige bodem.  In ruil, is de bodem van de valleien bedekt met een weelderige vegetatie die gedomineerd wordt door beuken en sparren.

Veel beroemde personen waren gefascineerd door deze streek en hebben bijgedragen aan de bekendmaking van deze streek. Mensen zoals Louis Ramond de Carbonières, Lucien Briet, Lucas Mallada en Soler i Santaló hebben hier voor hun best gedaan.

3. Plantengroei

Als men het park voor de eerste maal  bezoekt wordt uw aandacht getrokken op de bossen en de grote klippen en rotsen.  Het gedeelte met enkel bossen neemt ongeveer 21 % van de oppervlakte van het park in beslag.

Niettemin kan de bergbeklimmer de grote oppervlakte van het berggebied waarderen.

In het park is er een mengeling van klimatologische invloeden die deze plaats een aanwezigheid geven van verschillende soorten plantaardige gemeenschappen.

Zo hebben we een mediterrane plantengroei welke doordringt in de lager gelegen delen zoals in Añisclo of Escuaín. die plantengroei is overgebracht vanuit het submediterrane deel naar de ruige kalkhoudende gesteenten. In de groeven is er een een aanwezigheid van eigen planten die afkomstig zijn van Cantabrië en uiteindelijk komt men aan de plantengroei eigen aan de grootte hoogtes.

Om een idee te hebben van de diversiteit van de vegetatie die het park herbergt kunnen we zeggen dat er 112 soorten planten geïnventariseerd zijn, de meeste zijn weiden en weilanden gevolgd door de rotsen en de bossen. 75 % van de plantensoorten zijn belangrijke habitats en daarvan zijn er nog 4 zeer belangrijk voor hun behoud in Europa.

Tussen de 800 en de 1.700 meter hoogte vinden we talrijke beuken bossen (Fagys sybatica) , sparren bossen (Abes alba), de grove den (Pinus sylvestris), de ratelpopulier (Populus tremula) en met een kleinere aanwezigheid is er de zilverberk (Betula pendula), de es (Fraxinus excelsior), de grijze wilg (Salix eleagnos), de gewone hazelnoot (Corylus avellana) en de steeneik (Quercus rotundifolia) aanwezig.  In de hogere stroken, tot 2.000 meter is de bergden (Pinus uncinata) de overheersende plant.

In de bosjes tot 1.800 meter vinden we ook veel buxus (Buxus sempervirens).

Op het grasland dat op een hoogte van 2.000 tot 2.700 meter aanwezig is domineren de grassen en het is van de beste plaatsen in de Pyreneeën om er de beroemde sneeuwbloem te vinden, beter bekend onder de naam edelweis (Leontopodium alpinum).   Deze bloem is tevens het symbool van het park en deze bloem is ook een beschermde plant zoals trouwens alle andere planten in het park. 



4. Flora

De flora in het park bestaat uit ongeveer 1.400 soorten, wat neerkomt op ongeveer 45 % van de planten die aanwezig zijn in de Aragonese Pyreneeën.   Onder deze planten zijn er 82 planten die exclusief in de Pyreneeën voorkomen, het is te zeggen, bijna de helft van de inheemse soorten uit de bergketen.   Op de meer dan 30 pieken van meer dan 3.000 meter in het beschermde gebied en zijn omgeving kan men meer dan 100 soorten bekijken wat betekend dat meer dan twee derden van de flora hier aanwezig is.

Een van de belangrijkste karakteristieken van het park is de aanwezigheid van grote oppervlakten van rotsen, kliffen en rotsmuren die een groot aantal soorten planten herbergen, die uniek en enkel plaatselijk voorkomen, zoals de Borderea pyrenaica, het echt lepelblad (Campanula cochlearijfolia), Ramonda myconi, Silene borderei, Androsace cylindrica, Pinguicula longifolia, Petrocoptis crassifolia enz.

Een van de eerste onderzoekers van de flora in Ordesa is Pedro Montserrat Recoder, zijn onderzoek deed hij samen met Taurino Mariano Losa.

Meer informatie over de flora en de planten in het park kan men vinden op http://www.jolube.net

5. Fauna

Het nationaal park van Ordesa en Monte Perdido herbergt een variëteit aan dieren die de vrucht is van de verschillende habitats en het aan elkaar grenzen van het Continentale Europa en het Middellandse Zeegebied.

Men heeft hier een 38 soorten zoogdieren geteld naast 68 nestelende vogels, als men er de trekvogels bijtelt dan zijn het er 120 soorten.  We vinden hier ook 8 soorten reptielen en 5 soorten vissen.

Bossen bezetten nauwelijks 20 % van de oppervlakte van het park. Het varieert van loofbomen tot altijdgroene bomen, met een aanzienlijke spreiding van de grove den en iets minder de zwarte den en de spar.

Tussen de zoogdieren en na de verdwijning van de bucardo (Iberische berggeit) zijn de meest in het oog springende kenmerken de overvloed aan gemzen, hun aantal in het park is geschat op 2.000 exemplaren.

De ree waarvan men dacht dat ze in het midden van de XX ste eeuw lokaal uitgestorven was kent nu een toenemend aantal dieren.

De overbevolking aan everzwijnen samen met twee recente terug gekomen soorten zoals het hert, dat lijkt te willen terugkeren in de Pyreneeën en de bruine beer, hiervan zijn er ongeveer 20 à 23 exemplaren in de Pyreneeën is kenmerkend voor het park. Deze beren komen voor in de meest ontoegankelijke en meest beschermde delen van het park.

Naast deze grotere zoogdieren zijn er ook nog de kleinere zoogdieren: otters, vossen, marmotten, wilde katten, steenmarters, dassen, eekhoorns, veldmuizen, fretten, spitsmuizen en muskusratten.

 

Als we over de vogels gaan spreken, dan leven er in de bossen van het nationaal park  auerhanen (met kleine populaties, de Tengmalm uil (recent herontdekt), de specht, de dwergooruil, de nachtzwaluw...

Als we nu nog een blik werpen op de lucht en we zien de bergengtes en de hoge bergtoppen, dan zien we tevens de natuurlijke habitat van de lammergier, een van de grootste vogels ter wereld.

 

Er is hier ook nog de aanwezigheid van de koningsarend, een van de meest aanzienlijke roofdieren in de luchten van het park, de vale gier, soms de zwarte gier, de rode wouw, de zwarte wouw en al deze roofvogels jagen op de overvloedig aanwezig zijnde marmotten, patrijzen en op de schaars aanwezige Alpensneeuwhoenders waarvan het aantal in de Pyreneeën minder dan twintig exemplaren is.

Tussen de grote aantallen amfibieën vermelden wij speciaal de Pyreneeënbeeksalamander en dat is een aanwijzing dat het water in het park uitzonderlijk zuiver is.

6. Website:  Parque Nacional de Ordesa en Monte Perdido, de site is beschikbaar in het