Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

Mudejar architectuur in Aragon

  1. Algemeen
  2. De Kathedraal van Santa Maria de Mediavilla
  3. De kerk van San Pedro
  4. De toren van San Martin
  5. De toren van de Verlosser
  6. De Collegiale kerk van Santa Maria la Mayor
  7. De kerk van de Maagd van Tobed
  8. Het paleis La Aljafería
  9. De kerk van San Pablo
  10. De Kathedraal van de Verlosser
  11. Websites

1. Algemeen

De mudejar architectuur in Aragon is een trend binnen de mudejar architectuur die we vooral in de regio Aragon kunnen vinden. Een aantal van de gebouwen is opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. 


Chronologisch omvat de architecturale Aragonese mudejar bouwstijl de periode vanaf de twaalfde tot de zeventiende eeuw. In deze periode zijn er een honderdtal monumenten gebouwd die zich voornamelijk in de valleien van de Ebro, de Jalón en de Jiloca bevinden. De bevolking in dit gebied bestond voornamelijk uit mudejares en Moren die hun tradities op architecturaal gebied behielden.

De eerste uiting van deze architectuurvorm had twee beginpunten, de ene was de paleisarchitectuur die verbonden was met de monarchie, zij verbouwden en breiden het Palacio de la Aljafería uit volgens de traditie van de islamitische sierkunst en de islamitische bouwmeesters.

Het andere beginpunt was een meer volkse architectuur die meer verbonden is met de romaanse bouwstijl. Zij maken gebruik van een metselwerk in steen, meer bepaald baksteen die zij dikwijls gebruikten en dat aan de oorsprong van de hispa-muselmaanse bouwstijl lag. Deze stijl vinden we in de kerk van Daroca terug. Deze was oorspronkelijk in steen gebouwd maar in de dertiende eeuw werd zij afgewerkt in mudejar stijl.

Vanuit bouwkundig oogmerk heeft de mudejar architectuur enkele elementen uit de cisterciënzer gotiek overgenomen maar er zijn ook enkele verschillen. Steunberen ontbreken dikwijls en dan speciaal in de apsissen die karakteristiek een achthoekige plattegrond hebben. Ze hebben ook dikke muren die het gewicht van het dak dragen en die voldoende plaats hebben voor bakstenen versieringen. Aan de andere kant, steunberen zijn dikwijls een kenmerk voor de middenbeuk waar zij bekroond worden door torentjes, zoals in de stijl van basiliek van Nuestra Señora del Pilar. Er kunnen zijkapellen zijn maar die zijn van buitenaf niet duidelijk waarneembaar.

Kerken in de nabijheid, zoals de kerk van San Pablo in Zaragoza, in kleine steden hebben gewoonlijk geen gangen maar er zijn ruimtes voor bijkomende altaars in de kapellen tussen de steunberen van de middenbeuk.

Het is de gewoonte dat bij deze zijkapellen er een gesloten doorgang is waarin ramen zijn aangebracht die naar binnen en buiten zijn gericht. Deze samenstelling noemt men een kerk-fort en een prototype hiervan is de kerk van Montalbán.

Typisch voor deze bouwstijl zijn de klokkentorens die met zijn versieringen en zijn structuur duidelijk overgeërfd van de islamistische minaret.

Er is een vierhoekig grondoppervlak met een centrale pijler waarvan de ruimtes gevuld zijn zoals in de Almohaden minaretten. Op deze ruimte stond de toren die meestal veelhoekig is.

2. De Kathedraal van Santa Maria de Mediavilla

De Kathedraal van Santa Maria de Mediavilla in Teruel is een van de meest karakteristieke bouwwerken van de mudejar boiwstijl in Spanje en het is tevens een van de weinige kathedralen in deze stijl, samen met die van Tarazona.

De toren, het dak en de koepel zijn sinds 1986 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.



A. Geschiedenis

De Kathedraal van Teruel heeft zijn oorsprong in de kerk van Santa María de Mediavilla Men begon met de bouw van deze kerk in romaanse stijl in 1171 en men plaatste de mudejar toren in 1257. In het tweede deel van de dertiende eeuw, herbouwde de Moorse architect Juzaff, de oude romaanse structuur en hij gaf het gebouw drie kerkschepen in mudejar stijl met baksteen en metselwerk. Dit verbeterde de romaanse structuur uit de twaalfde eeuw.

In dezelfde gotische mudejar stijl werden in de veertiende eeuw de romaanse apsissen vervangen door andere zoals te zien is in de grote kapel. Daardoor reduceerde men het aantal steunpunten met de helft en dat gaf meer licht en ruimte in de kerkschepen. Ook de muren werden verhoogd. In 1423 heeft de uit Aragon afkomstige paus Benedictus XIII de rang van de kerk verhoogd tot collegiale kerk.

Ook in de platereske mudejar stijl werd in 1538 de koepel van het centrale kerkschip herbouwd, dit was een werk van Martín de Montalbán.
De kerk was gebouwd op een achthoekig grondvlak en aan de buitenzijde zijn er ramen met platereske versieringen.

Veel later, in 1587, na de instelling van het diocees Teruel, werd de kerk gepromoveerd tot kathedraal en werd zij hiervoor ingehuldigd.

De laatste wijziging gebeurde in 1909 toen men de gevel veranderde in de neomudejar bouwstijl, dat was een werk van Pablo Monguió.

B. De eerste werken aan de kerk

Sinds de stichting van de stad door Alfonso II van Aragón in 1171 heeft de kerk een geprivilegieerde positie gehad. Zij hing af van het diocees van Zaragoza en zij lag in het centrum van de stad. De oorspronkelijke kerk dateert uit het laatste kwart van de twaalfde eeuw en het werd gebouwd als een nieuw romaans bouwwerk in de oude medina van de Arabische stad.

Omstreeks 1200 begon men aan het eerste deel van de bouw van de kerk met drie kerkschepen en dat had toen al dezelfde afmetingen van de huidige kerk. Dit deel van het werk eindigde met de bouw van de huidige mudejar toren in 1257. De oorspronkelijke romaanse muren waren drie meter lager dan de huidige muren.

C. De toren


Men is met de bouw van de mudejar toren begonnen in 1257 en in zijn beneden gedeelte maakte men een doorgang in de vorm van een tongewelf voor het gebruik door voetgangers. Het is een van de oudste mudejar torens van Spanje.

Hij heeft een rechthoekig grondoppervlak met drie lichamen die overvloedig versierd zijn met tegels en geglazuurde keramiek. De toren eindigt op een achthoekige lantaarn uit de zeventiende eeuw.

D. De hervorming naar de mudejar stijl

Na het bevredigende artistieke resultaat van de verbouwing van de klokkentoren in mudejar stijl begon men in de tweede helft van de dertiende eeuw, onder de leiding van de Moor Juzaff,met de verhoging van de schepen, met de bouw van nieuwe apsissen in mudejar stijl en met de bedekking van de schepen met een dakbedekking.

Het eerste metselwerk heeft een constructief proces ontwikkeld waarin de werken vooruitgang maakten vanaf de apsissen tot aan de mudejar toren.

In feite, eenmaal de hoogte van de drie schepen verhoogd en zijn verlichting verbeterd was en de voorbereiding van het nieuwe mudejar dak op het centrale kerkschip getroffen was de eerste gevel een kleintje ten opzichte van de nieuwe schepen.

Daarom moest men voor de constructie van een dwarsschip en drie nieuwe apsissen overgaan tot de afbraak van de steun constructies en met de bepleistering en de schildering hiervan in 1335. Men heeft hiervan de rekeningen terug gevonden in het archief van de kathedraal. De leider van deze laatste bepleisteringswerken was de Moorse bouwmeester Yuçaf de Huzmel.

E. Het plafond van het centrale kerkschip


Een van de mooiste bouwsels is het plafond van de kathedraal met zijn structurele functie. Bijna alle mudejar plafonds zijn in vakken verdeeld naar dat is louter decoratief. In dit geval is het een bedekking van het plafond wiens raamwerk een ondersteuning is van het bovenste gedeelte van het kerkschip. Dit plafond wordt ook de “Sixtijnse kapel” van de mudejar stijl genoemd.

Het plafond is 32 meter lang en het dateert uit de veertiende eeuw. In zijn vakken vinden wij historische en religieuze motieven waaronder afbeeldingen van ambachtslieden, officieren, ambachtslui en fantastische wezens. Deze afbeeldingen bleven in een zeer goede staat omdat men in de achttiende eeuw hier een vals plafond had geplaatst die de mudejar schilderingen beschermden tegen de tand des tijds.

Het plafond liep wel beschadigingen op tijdens de bombardementen van de burgeroorlog. Het werd wel gerestaureerd maar sommigen herstellingen zijn niet echt gelukt. Het merendeel van de schilderingen zijn de oorspronkelijke afbeeldingen uit de veertiende eeuw.

F. De koepel, mudejar en renaissance


De koepel werd in 1537 ontworpen door de bouwmeester Juan Lucas Botero. Het werk werd uitgevoerd door Martín de Montalbán in 1538. Door deze koepel komt de verlichting van het nieuwe groot retabel uit 1536, dit retabel is een werk van de beeldhouwer Gabriel Yoly.

G. Recente bouwwerken

Ongeveer in 1700 werd de gotische voorkant verbouwd om er een ruimte rond het groot altaar in in te richten. Bovendien veranderde men de versiering aan de smaak van tijd, het werd nu de neoklassieke stijl

In 1909 bouwde men de enorme historische voorgevel en men combineerde dit met een neo-romaanse structuur van de bogen met een halve punt. Het werd ontworpen door de architect Pablo Monguió Segura. Het portiek werd afgesloten met een hekwerk van Matías Abad.

3. De kerk van San Pedro

De kerk van San Pedro in Teruel is een kerk in mudejar bouwstijl uit de veertiende eeuw. Zijn klokkentoren, de toren van San Pedro is het oudste voorbeeld van de mudejarstijl in Teruel uit de dertiende eeuw.


Het interieur van de kerk werd ingericht tussen 1896 en 1902 in een modernistische mudejar bouwstijl door Pablo Monguió Segura en de kunstenaar met plaasterwerk Salvador Gisbert.

Tegelijkertijd richten zij hier een nieuwe kloostergalerij op. In een van de zijkapellen bevonden zich de Geliefden van Teruel. Vanaf 2005 kan men de Geliefden bezoeken in een apart mausoleum naast de kerk.

In 1220 hebben twee leerlingen van Sint Franciscus van Assisi, Juan de Perusa en Pedro de Saxoferrato in Teruel een franciscaner klooster gesticht waarvan de kapel van San Bartolomé in 1392 op bevel van de aartsbisschop van Zaragoza, García Fernández de Heredia werd afgebroken voor de bouw van de kerk.

In 1555 ontdekte men de mummies van “de Geliefden” in de ondergrond van een van de zijkapellen die vanaf dat moment gewijd was aan de geliefden. Hier plaatste men een retabel dat gewijd was aan Sint Cosmas en Sint Damianus: Het werd gemaakt door Gabriel Joli. 


Deze kerk, in Levantijnse gotiek werd afgebroken op het einde van de negentiende eeuw en zij werd vervangen door een andere kerk in neogotische stijl tussen 1901 en 1902, de architect van deze nieuwe kerk was Pablo Monguió.

De kerk heeft een hoog kerkschip in vijf gedeelten met zijkapellen tussen de steunberen, een veelhoekig apsis en met een hoog koor. Het is bedekt met een kruisgewelf. 

Aan de bouw werkten Conrat Rey en Gonzalvo de Vilbo mee, architecten die gewoonlijk voor de familie Fernández de Heredia werkten.

4. De toren van San Martin 

De toren van San Martin staat in Teruel en hij is gebouwd in de typische mudejar stijl uit Aragón. Hij werd in 1986 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. Hij werd gebouwd in 1316 en gerestaureerd in de zestiende eeuw. 



A. Geschiedenis

De toren werd gebouwd tussen 1315 en1316 en hij werd gerenoveerd in 1550 door Pierres Vedel. Hij liet een aantal aanliggende woningen afbreken om er een open ruimte naast de toren te creëren om er een stenen versteviging voor de toren te bouwen.

In 1926 deed Ricardo García Guereta een belangrijke restauratie en na de Spaanse burgeroorlog bracht Manuel Lorente Junquera er een nieuwe betegeling op aan die meer ingetogen van toon was dan de oorspronkelijke betegeling.

Tussen 2002 en 2007 werd er een volledige restauratie uitgevoerd, zowel langs de buitenzijde als langs de binnenzijde.

B. Beschrijving

De toren ligt op de Plaza de Pérez Prado, tegenover de calle de los Amantes. Hij is, zoals de andere torens in Teruel een poort-toren gebouwd in baksteen en er zijn versieringen op aangebracht in geglazuurde keramiek.

Aan de basis is hij begaanbaar door een spitsbogen gewelf. In het eerste deel zijn er drie zijden zichtbaar want de vierde zijde ligt tegen de kerk van San Martín, die gebouwd is in de barok stijl.

De toren bootst de structuur na van een almohaden minaret met twee vierkante torens waartussen de trappen zich bevinden.
Binnenin de toren zijn er drie verdiepingen die bovenaan bedekt zijn met een kruisgewelf.

5. De toren van de Verlosser

De toren van de Verlosser staat in Teruel en hij is gebouwd in de typische mudejar stijl uit Aragón. Hij werd in 1986 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

De toren werd gebouwd in de veertiende eeuw toen het koninkrijk van Aragón op zijn hoogtepunt was. In die periode, dankzij de privileges van Alfonso II was er nog een Moorse bevolking in de stad. 



A. Beschrijving

De toren staat in de calle Nueva, die onder de toren door loopt en daarbij gebruik maakt van de spitsboog en dat laat toe dat deze zijden vrij blijven van aangesloten woningen, een verschil met de rest van het voetstuk dat ingeklemd zit tussen woningen. Hij werd samen met de kerk van de Verlosser gebouwd.

In de versiering van de toren domineren bogen, de sebka (een gridvormige manier van decoratie) en de geglazuurde decoratie in groen en wit.


De toren bootst de structuur van een almohaden minaret na met twee vierkante torens waartussen de trappen liggen. Aan de binnenzijde vinden we drie verdiepingen waarop er een kruisgewelf ligt en met een klokkentoren met bogen.

De gelijkenis met de toren van de kerk van San Martin is treffend.

6. De Collegiale kerk van Santa Maria la Mayor

De Collegiale kerk van Santa Maria la Mayor werd in Calatayud (Zaragoza) gebouwd op een oude moskee in 1120. Zij ligt in het midden van de middeleeuwse stad.


Het is de belangrijkste kerk van de stad en er is al dikwijls over gesproken om ze om te vormen tot kathedraal maar tot op heden is dat nog niet gebeurt. 

In 2001 is zij door de UNESCO op de lijst van het Werelderfgoed geplaatst en de huidige kerk is gebouwd in het begin van de zeventiende eeuw.

De toren is een van de voornaamste voorbeelden van de typische mudejar bouwstijl in Aragon.

De kerk heeft een achthoekig grondoppervlak en er zijn steunberen geplaatst op de hoeken.
De torenspits in leisteen is gebouwd in 1770, de klokkentoren is uit de vijftiende en de zeventiende eeuw.

7. De kerk van de Maagd van Tobed

De kerk van de Maagd van Tobed is een kerk-fort in de typische gotische-mudejar stijl en we vinden zij in de gemeente Tobed (provincie Zaragoza). De kerk is gebouwd tussen 1356 en 1385.


Zij werd, samen met 6 andere monumenten, op de lijst van het Werelderfgoed van de UNESCO opgenomen in 2001.

Zij werd gebouwd in opdracht van de Orde van het Heilig Graf van Calatayud en zij is het prototype van een kerk-fort, een uniek concept in het Spanje van deze eeuw.

Aan de buitenzijde is zij voor de verdediging gemaakt met een galerij rondom en met een borstwering.

De Orde van het Heilig Graf besloot tot de bouw van de kerk voordat de oorlog tussen Pedro IV, de Plechtige van Aragon en Pedro I, de Wrede van Kastillië uitbrak . Zij deed dienst als kerk en zij maakte deel uit van de verdediging van de grens van Kastillië. 

8. Het paleis La Aljafería

La Aljafería is een paleis fort in Zaragoza uit het tweede deel van de elfde eeuw en het werd gebouwd door Al-Muqtadir als residentie van de koningen uit de familie Banu Hud van het taifa koninkrijk van Saraqusta. 


Dit paleis diende voor de ontspanning en het geeft de luister weer van het koninkrijk toen het op zijn hoogtepunt stond van politieke en culturele macht.

De belangrijkheid van dit gebouw is te danken aan het feit dat dit het enige grote gebouw in de typische Spaans Moorse stijl is dat overgebleven is uit de tijd van de taifa koninkrijken.

Na de herovering van Zaragoza in 1118 door Alfonso I werd het paleis de residentie van de katholieke koningen van Aragon. Het werd gebruikt als residentie door Pedro IV de Plechtige en later werden er op de eerste verdieping verbouwingen gedaan voor de Katholieke Koningen in 1492.

In 1593 kwam er een andere verbouwing volgens een renaissance ontwerp (de grachten en de tuinen) en nog later werden het een kwartier voor militairen. Het paleis had te lijden onder meerdere verbouwingen en zelfs vernielingen zoals die dateren uit de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog .

Uiteindelijk kwam er een grote restauratie in het midden van de twintigste eeuw en momenteel herbergt het het parlement van Aragon.

Oorspronkelijk lag het paleis buiten de muren van de stad en het was de plaats waar de Moren hun militaire kracht vertoonden die de naam kreeg van La Almozara.
Door de stedelijke ontwikkeling door de jaren heen kwam het gebouw in de stad te liggen.

A. De Toren van de Troubadour – Torre del Trovador

Het oudste gebouw van het paleis is de Toren van de Troubadour – Torre del Trovador die zijn naam kreeg door het romantisch drama van Antonio García Gutiérrez, El trovador uit 1836. Dit drama werd gebruikt voor de opera van Giuseppe Verdi, Il Trovatore uit 1853.


Het was een defensieve toren met een vierhoekig grondvlak en met vijf verdiepingen en hij werd gebouwd op het einde van de negende eeuw. Volgens Bernabé Cabañero Subiza is het eerder de tweede helft van de tiende eeuw. Dat was tijdens de regeerperiode van de eerste Tuyibí, Muhammad Alanqar die de naam kreeg van Muhammad I, emir van Córdoba.

De functie van de toren in de negende en de tiende eeuw was een uitkijktoren en een defensief bolwerk. Hij was omringd door een gracht. Later, tijdens de dynastie van de Banu Hud, werd de toren geïntegreerd in het kasteel-paleis, het Aljafería.

Aan het begin van de christelijke verovering werd het een herinneringstoren en in 1486 werd het een kerker van de inquisitie. Deze functie behield de toren ook in achttiende en de negentiende eeuw zoals de inscripties in de muren door de gevangen laten zien.

B. Het taifal paleis – El palacio taifal 

De bouw van het paleis gebeurde vooral tussen 1065 en 1081 in opdracht van Abú Ya'far Ahmad ibn Sulaymán al-Muqtadir Billah die beter bekend is onder zijn eretitel Al-Muqtadir, (de Machtige).

Dat was de tweede monarch uit de Banu Hud dynastie en het paleis was in de tweede helft van de elfde eeuw het symbool voor de macht van het taifa koninkrijk.

De naam Aljafería kwam voor de eerste maal voor in een tekst van Al-Yazzar as-Saraqusti.

De algemene inrichting van het paleis is overgenomen van de omajjaden uit de woestijnen van Syrië en Jordanië.

Deze paleizen hadden een vierkant grondoppervlak met grote halfronde torens, met een centrale driehoekige ruimte, met drie rechthoekige ruimtes waarvan de middelste een patio herbergt met waterreservoirs en met zalen en met de ruimtes voor het dagelijkse leven.

Het Aljafería brengt hulde aan dit model van een paleis, elke ruimte voor de adel ligt in het centrale gedeelte.

Aan de noordelijke en de zuidelijke kanten bevinden zich de portieken en de woonruimtes en in het geval van het Aljafería, liggen de belangrijkste ruimtes in het noorden: hier was oorspronkelijk een tweede verdieping en dat deel bevatte daardoor een grotere diepgang.

Bovendien was het voorafgegaan door een voorkant met open en rijk versierde kolommen en die zich op zijn twee zijden uitbreidde in twee armen door middel van twee vleugels met het portaal van de troonzaal die zich achterin bevond.

In het midden van de noordelijke binnenmuur van de gouden zaal is er een blinde boog en dat is de plaats waar de koning stond. Dat bevat een zeer traditionele geometrische versiering die een imitatie is van de mihrab, dat is een islamitische gebedsnis in een muur in de moskee die de gebedsrichting, de qibla aangeeft, van de moskee van Córdoba.

Als we terug denken aan het uitzicht van het paleis op het einde van de elfde eeuw dan moeten we ons voorstellen dat alle reliëfs met plantaardige motieven en geometrische figuren beschilderd waren in levendige kleuren.

Voor de achtergrond heeft men vooral rood en blauw gebruikt en voor het reliëf gebruikte men dan weer goud. Samen met de onderrand in albast en de vloer in witte marmer kreeg het geheel een uitzicht van grote pracht.

Een groot deel van het stucwerk uit de elfde eeuw werd vernield tijdens de bouw van het paleis van de Katholieke Koningen in 1492. Ook de tweede verdieping verdween in deze periode.

De muurversiering in de Gouden Zaal is ook voor het grootste deel verdwenen alhoewel een deel van de versiering kan bezocht worden in het museuu van Zaragoza en in het Nationaal Archeologisch museum in Madrid.

C. De gouden zaal

De gouden zaal heeft aan zijn oostelijke en westelijke zijde twee kamers waarin een alkoof stond. Vandaag is de alkoof aan de westelijke kant verdwenen. Zij werd gebruikt als koninklijke slaapkamer en zij deed ook dienst voor de koningen uit Aragon tot in de veertiende eeuw. 


De meerderheid van het gipswerk met zijn plantaardige motieven, de onderrand in albast en de witte marmeren vloeren zijn verdwenen.

De plafonds waren gebeeldhouwde houten plafonds en zij toonden het firmament.  De ganse zaal in zijn geheel toonde de kosmos. Dat was een symbool voor de macht van de koningen van Zaragoza, die afstammelingen waren van de kaliefen.


D. De moskee

Aan het oostelijke uiteinde van de portiek is er een kleine moskee dat enkel toegankelijk was voor de koning en zijn hovelingen. Zij is toegankelijk door middel van een gevel die eindigt op een hoefijzervormige boog die geïnspireerd is door de moskee van Córdoba. Deze boog wordt ondersteund door twee kolommen met kapitelen.

E. De Patio van Santa Isabel

Het betreft een open ruimte en tuin die het ganse paleis verenigd. Er zijn portieken aan de noordelijke en de zuidelijke zijde en vermoedelijk waren er kamers aan de oostelijke en de westelijke zijde van deze centrale patio. 

De naam van deze patio is afkomstig van de geboorte van prinses Isabel van Aragón in het Aljafería. Zij werd in 1282 koningin van Portugal. Het originele waterreservoir aan de zuidelijke zijde bleef bewaard terwijl maar dat aan de noordelijke zijde werd in de veertiende eeuw bedekt met een houten vlierbedekking

F. Het paleis van Pedro IV

Na de inname van Zaragoza in 118 door Alfonso I el Batallador werd het Aljafería ingeschakeld als paleis voor de koningen van Aragón en als christelijke kerk. Zij is niet wezenlijk veranderd tot in de veertiende eeuw door de veranderingen van Pedro IV. 

Deze koning vergrootte de paleisruimtes in 1336 met de bouw van de kerk van San Martín.

G. De kerk van San Martín

De kerk van San Martín maakt gebruik van een deel van de muur aan de noordwestelijke hoek van de vestingmuur.

Het gebouw, in gotische-mudejar stijl, bestaat uit twee kerkschepen met elk drie delen die oorspronkelijk naar het oosten gericht waren. Zij werden ondersteund door twee pilaren die aanleunden in het midden van de voorkant van de pilaar. Elk deel herinnerd aan geruite lobben waarop het wapenschild van de koning van Aragón staat.

De gewelven van deze kerkschepen zijn kruisgewelven en in de top van de gewelven staan er rozetten met daarop de wapenschilden van de koningen van Aragón.

De kerk werd verbouwd in de achttiende eeuw, de pilaren en de muren werden gerenoveerd en bepleisterd in neoklassieke stijl. Al deze verbouwingen werden echter verwijderd tijdens de restauratiewerken door Francisco Íñiguez..

H. Het mudejar paleis

Het betreft een zelfstandig paleis maar de uitbreiding van het Moors paleis is tot op vandaag in gebruik. Pedro I probeerde de kamers, eet- en slaapkamers, te vergroten want deze slaapkamers waren klein voor het ceremonieel gebruik.

De nieuwe kamers werden samengebracht aan de noordelijke zijde van het Andalusisch paleis en zij bevonden zich op verschillende hoogtes. Deze uitbreiding was respectvol voor het bestaande paleis en zij integreerden drie salons die bedekt waren met een houten plafond in mudejar stijl.

I. Het paleis van de Katholieke Koningen

Tijdens de laatste jaren van de vijftiende eeuw lieten de Katholieke Koningen een paleis bouwen en dat moest in het noordelijk deel komen van het Andalusisch deel. Er kwam een tweede verdieping bovenop het bestaande paleis. 

De werken werden uitgevoerd tussen 1488 en 1495 door de Moorse meesters Faraig en Mahoma de Gali die de Moorse bouwtradities in ere hielden.

Het paleis is toegankelijk langs een trap en dat is een monumentale constructie met twee ruime traparmen met balustrades met gipsen geometrische figuren die verlicht worden door grote ramen met een halfronde punt.

Het dak is groots zoals de rest van het paleis en het is bedekt met een enorm dakgewelf tussen de draagbalken en zij zijn versierd met geschilderde motieven die verwijzen naar de Katholieke Koningen.

De trap geeft toegang tot een gang op de eerste verdieping die in verbinding staat met de bijgebouwen van het paleis. Om deze erker en de rest van de nieuwe ruimtes te ondersteunen was het noodzakelijk om de oude kamers uit de elfde eeuw te verdelen en aan de noordelijke zuilengang werden er bijkomend ter ondersteuning vijf grote achthoekige pilaren gebouwd.

Wat opvalt is de hoofdingang die toegang geeft tot de troonzaal, hij s versierd met een timpaan met vijf lobben waarop het wapenschild van de Katholieke Koningen staat met de blazoenen van de koninkrijken van Castilla, León, Aragón, Sicilia en Granada. 

Eenmaal men uit de galerij komt zien we verschillende kamers die de troonzaal vooraf gaan. De kamers noemt men de”salas de los pasos perdidos” ofwel “de kamers van de verloren passen”.

Het zijn drie kleine kamers in een vierkante vorm die met elkaar verbonden zijn door grote ramen . Het zijn wachtkamers voor de ontvangst bij de Katholieke Koningen.
Momenteel zijn er slechts twee zichtbaar, de derde is gesloten om de koepel van de moskee te vervangen.

Een van de mooiste elementen van deze zalen zijn hun tegelvloeren, origineel waren het vierkante tegels van geglazuurde gekleurde keramiek. Zij werden gemaakt door de pottenbakkerijen van Muel (Zaragoza) op het einde van de vijftiende eeuw. De oudere gedeeltes worden gebruikt om de rest van de vloer te restaureren.

Een ander mooi element zijn de hoge plafonds in mudejar stijl. Deze plafonds zijn voorzien van geometrische roosters in hout die later uitgesneden, geschilderd en verguld zijn. Ook hier vinden we de heraldische motieven van de Katholieke Koningen terug.

J. De troonzaal

Het is moeilijk om de pracht en de praal van het plafond in de troonzaal te beschrijven. De afmetingen van het plafond zijn groot, 20 meter lang en 8 meter breed. Het in vakken versierd plafond is ondersteund door dikke balken die versierd zijn met strikornamenten die op de snijpunten sterren met acht punten vormen.


Op de fries die de ganse zaal omringd staat er een tekst in gotische kaligrafie:

Ferdinandus, Hispaniarum, Siciliae, Corsicae, Balearumque rex, principum optimus, prudens, strenuus, pius, constans, iustus, felix, et Helisabeth regina, religione et animi magnitudine supra mulierem, insigni coniuges, auxiliante Christo, victoriosissimi, post liberatam a mauris Bethycam, pulso veteri feroque hoste, hoc opus construendum curarunt, anno salutis MCCCCLXXXXII.

De vertaling van deze tekst is :

Fernando, koning van Spanje, Sicilië, Corsica, en de Balearen, de eerste onder de prinsen, wijs, heldhaftig, vroom, standvastig, rechtvaardig,gelukkig en Isabel, koningin, superieur aan elke vrouw door haar vroomheid en haar grootsheid van geest, beroemde zegevierende echtgenoten met de hulp van Christus, na de bevrijding van Andalusië van de Moren, verdrijven van de oude en wrede vijand, wij bevelen de bouw van dit werk in het jaar van de Verlossing in 1492.

K. Moderne en hedendaagse tijd

In het begin van 1486 werd op het deel van de patio van San Martín de zetel van het Heilig Officie van de Inquisitie ingericht. De omliggende gebouwen werden gebruikt voor de huisvesting van de ambtenaren van deze rechtbank. Het is waarschijnlijk dat dit aan de oorsprong ligt van het gebruik als gevangenis van de Toren van de Troubadour.

Deze functie, die zou behouden blijven tot het begin van de achttiende eeuw zou onder het mandaat van Felipe II uitmonden in een hervormingsproject. Het was de bedoeling dat er een militaire basis zou komen.

Het ontwerp van het werk dat een “modern” militair moest opleveren werd gegeven aan de militaire ingenieur Tiburzio Spannocchi. De constructie was een verzameling woningen die tegen de zuidelijke en oostelijke muur aanleunden.

Men bouwde rond de gebouwen een muur met kantelen met aan de binnenzijde een ronde weg die eindigde op de vier hoeken in vier vijfhoekige bastions.

Het ganse geheel werd omringd door een slotgracht van twintig meter breedte die in 1982 door de architect Ángel Peropadre Muniesa terug werd opgegraven.

Het Aljafería van Spannocchi bleef praktisch ongewijzigd tot in 1705 tijdens de Spaanse Successieoorlog. Toen herbergde het gebouw twee compagnieën Franse troepen. De militaire ingenieur Dezveheforz liet toen de borstwering van de muur versterken.

De grootste verbouwing tot dan toe kwam er in 1772 op initiatief van Carlos III die de gevels liet aanpassen aan de toenmalige smaak van bouwstijl. Binnenin liet hij aparte ruimtes maken voor soldaten en officieren die in het gebouw woonden. In het westelijk deel van het paleis maakte men een ruime binnenplaats waarin de verschillende compagnieën verbleven. In 1862 werden er dan nog vier neogotische toren bijgevoegd.

In het midden van de negentiende eeuw luidde Mariano Nougués Secall de alarmbel over de staat van het paleis. Koningin Isabella II voorzag fondsen voor de restauratie en zij richtte in 1848 een commissie op die de restauratie moest bestuderen en uitvoeren. In 1862 kwam het Aljafería in handen van het Ministerie van Oorlog en de restauratie werd stopgezet waarna de toestand van het paleis verder verslechterde.

Deze verslechtering van de toestand ging verder tot in 1947 toen de architect Francisco Íñiguez Almech, praktisch helemaal alleen, begon met de restauratie. Hij werkte verder aan de restauratie tot aan zijn dood in 1982.

Maar zijn werk werd uiteindelijk verder gezet door Ángel Peropadre en Juan Antonio Souto. Vanaf 1985 kwamen er dan Luis Franco Lahoz en Mariano Pemán Gavín bij.

Het Aljafería werd in 1998, na zijn luisterrijk herstel uitgeroepen tot historisch monument en ingewijd door kroonprins Felipe de Borbón.

9. De kerk van San Pablo

De kerk van San Pablo wordt ook wel de derde kathedraal van Zaragoza genoemd. De kerk ligt tussen de straten San Blas en San Pablo in de wijk San Pablo. Deze kerk is gebouwd op het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw.

Sinds de bouw van de kerk zijn er in de vijftiende en de zestiende eeuw een aantal uitbreidingen geweest omdat de bevolking in de wijk toenam.

Al tijdens de middeleeuwen was de bevolking in de wijk even groot als in de oude ommuurde stad en daarom was het noodzakelijk om in 1284 de oude romaanse kerk van San Blas te slopen en er een nieuwe kerk te bouwen. De bouw van de nieuwe kerk liep tot in het midden van de veertiende eeuw.

Dat het vandaag de dag een zo grote kerk geworden is te wijden aan de voortdurende uitbreidingen en daardoor is het ook een zo complex en gevarieerd gebouw geworden.

Oorspronkelijk had de kerk met een schip en tussen zijn steunberen bevonden er zich een aantal kapellen.

In de vijftiende eeuw werden er twee schepen bijgebouwd die deel uitmaken van de toren, die aanleunde aan de voet van de eerste kerk. Deze uitbreidingen bleven duren tot aan de twintigste eeuw.

Zeer opvallend is de mudejar toren die een achthoekig grondoppervlak heeft en deze toren is een van de mooiste voorbeelden van de mudejarstijl in de stad. Zijn interieur herbergt twee concentrische lichamen waartussen men een trap kan vinden. Deze trap laat een panoramisch uitzicht toe over Zaragoza.

Binnenin is er het groot retabel dat gemaakt is in de zestiende eeuw door Damián Forment. In 1931 werd de kerk opgenomen op de lijst van nationale monumenten en in 2001 werd de kerk opgenomen op de lijst van het werelderfgoed.

A. Geschiedenis

De kerk van San Pablo werd gebouwd in de veertiende eeuw en het was een kerk met een kerkschip met vier traveeën die bedekt zijn met een kruisgewelf en waarvan de steunberen kapellen maakten waarop een tongewelf lag. De kop eindigt in een veelzijdige apsis met vijf zijden. In de muren zijn er ramen met spitsbogen.

Leunend tegen het onderste gedeelte van de kerk bouwde men een toren in mudejar stijl en dit werk was af in 1343. In de hoeken van het onderste gedeelte werden twee massieve ronde steunberen gebouwd.

De voornaamste vergroting van de parochie was er in de vijftiende eeuw en men vergrootte de kerk met twee zijbeuken. Met deze gedeelten omringde men de oorspronkelijke kerk. De kleine kapellen tussen de steunberen verdwenen in de ruimte van de overgang tussen het kerkschip en de zijkapellen.

Aan de buitenzijde zien we de voorgevel aan de noordelijke zijde, die gevel is ook uit de vijftiende eeuw en is in gotische stijl met sculpturen in albast. Deze zijde kreeg de namen “Puerta de la Tramontana” of “Puerta del Santo Cristo”.

Hij bestaat uit een poort met een verlaagde boog en die rust op twee zuilschachten met kapitelen waarop aan elke zijde een beeld van San Pedro en San Pablo staat. Deze beelden staan onder een overkapping in gotische stijl.

In 1594 begon men met de renovatie van deze gevel en men bracht er een grote houten dakrand aan die versierd was met renaissance motieven. Dit was een werk van Antón del Prado onder de leiding van Pedro Fuster.  Veel later, tijdens de zestiende en de achttiende eeuw maakte men meer kapellen aan de zijdelijke zijde van de kerk.

Ook vernieuwde men de decoratie van het interieur. In 1571 nam men de ramen van de kerk onder de handen en bracht men er renaissance versieringen in gips op aan. Dit was een werk van Juan de Miraso.

B. Klokkentoren

De toren is achthoekig met twee samengevoegde torens, de ene staat binnenin de andere. In de ruimte tussen deze beiden is er een trap. Zowel het gebouw als de toren zijn gemaakt in baksteen.



De lagere delen zijn niet zichtbaar vanaf de buitenzijde omdat zij in de kerk staan.

In het vijfde deel verschijnt er een gepunte blinde holte waar twee ramen zijn aan elke kant. De zesde kreeg strikornamenten in ruitvorm en drie ramen aan elke kant.

De toren eindigt op een torenspits (gerenoveerd in 1849 door José Yarza y Miñana) en vormt een conische piramide met er bovenop een elegante bol.

C. Groot retabel

Een van de juweeltjes in de kerk is zonder twijfel het groot retabel. Het werk werd in 1515 uitgevoerd door Damián Forment en dat was ook de maker van het retabel in de Basiliek van Pilar en in 1518 werd het afgeleverd.



Het retabel is in hout uitgesneden en daarna werd het verguld. Het bevat een bank en vijf banen en het is breder en hoger in het centrale gedeelte. De ruimtes tussen de banen bevatten pinakels met beeldjes onder gotische baldakijntjes. Bekijken we echter het ganse retabel dan overheerst toch de renaissance stijl.

Het lagere deel van de centrale baan herbergt het beeld van San Pablo dat in een nis staat. In het bovenste gedeelte zien we een Calvarie weg.

In de bank zijn er reliëfs met als thema de Passie en in de zijbanen vinden we taferelen uit het leven van San Pablo. In 1524 maakte Juan Vierto de deuren en zij werden in 1599 geschilderd door vermoedelijk Juan Felices de Cáceres.

D. Het koor, de sacristie, de pastorie en de kapellen

Andere elementen in deze kerk die het vermelden waard zijn het koor, de sacristie en de kapellen waarbij het zilverwerk aan het altaar in de grote kapel.

E. De pastorie

Achter het sanctuarium van het groot retabel vinden we een belangrijk schilderij van Jerónimo Cosida, een renaissance schilder uit het midden van de zestiende eeuw.  Tevens zien we aan de voorzijde van het altaar een werk in zilver dat gemaakt werd in 1720 door José Godó en zijn assistent Bernardo Garro.

F. De sacristie

Voor de sacristie maakt men gebruik van een aantal ruimtes in het zuidoostelijke deel van de kerk. De toegangsdeur is gemaakt in plaaster uit de zestiende eeuw.

G. Koor

Het koor is gemaakt tussen 1569 en 1572 onder de leiding van Jerónimo Cosida en het orgel is geïnspireerd door dat van de Kathedraal van Zaragoza. Het houtsnijwerk van de beide elementen is een werk van de broers Juan Carnoy en Francisco Carnoy en zij kregen de medewerking van Jerónimo de Mora, Alonso de Leznes en Pedro Pertús.

H. Kapellen

Ook in deze kerk zijn er een aantal kapellen en dat zijn:

I. Kapellen aan de zuidelijke zijde
  • Kapel van de Virgen del Carmen. Hier vinden we een beeld in verguld hout van Santa Ana, de Maagd en het Kind Jezus uit de zestiende eeuw.
  • Kapel van San Pedro en San Pablo. Hier staat een retabel uit de zestiende eeuw met daarop scenes uit het leven van de beide heiligen.
  • Kapel van de Virgen del Rosario. De voorzijde van het retabel is uit 1601 en het werd gemaakt door Juan Chando in herrera stijl. Voor het retabel staat er een beeld van de Maagd en het Kind uit het einde van de achttiende eeuw. Aan de rechterzijde is er het retabel van Santa Catalina uit het einde van de vijftiende eeuw. Aan de linkerzijde is er de graftombe van de bisschop van Huesca, Diego Monreal. 
  • Kapel van San Miguel del Tercio. Het is afgesloten door een hek uit brons uit de zeventiende eeuw. In de kapel staat er een retabel dat geschilderd is in dezelfde eeuw en dat gemaakt werd door Jaime Rosic. 
  • Kapel van de Nuestra Señora del Pópulo. Deze kapel ligt als eerste aan de zuidelijke zijde en het is een van de populairste kapellen. De kapel stamt uit 1673 en het is een werk van José Felipe Busiñac y Borbón. De stijl van de kapel is de late barok.
J. Kapel in het klooster
  • Kapel van Santo Cristo. In het klooster en achter de ruimte achter het priesterkoor aan de westelijke zijde vinden we de kapel van Santo Cristo. De kapel is bedekt met een gewelf en het werd gerenoveerd in 1690 door de graaf van Guara, Artal de Azlor.
K. Kapellen in het kerkschip aan de noordelijke zijde
  • Retabel van San Blas. Dit is in barrok stijl en het werd gemaakt tussen 1750 en 1770 en het toont beelden van San Joaquín en Santa Ana.
  • Retabel van Santa Bárbara. Het is uit dezelfde periode als het vorige en er is een bank en drie banen.  Er staan beelden op van Santa Bárbara, San Lamberto, San Isidro, San Cristóbal en San Esteban. 
  • Retabel van Ecce-Homo of van Jesús Nazareno. Het is gemaakt tussen 1630 en 1640. ,
L. Kapellen aan het hoofdeinde
  • Kapel van de Virgen del Pilar. Aan de andere zijde van het altaar vinden we de lapel van de Virgen del Pilar. Het is afgesloten door een ijzeren hek uit 1529 en dat is het werk van Jaime Tejedor.
  • Kapel van de Virgen de los Dolores. Deze kapel staat praktisch in het midden van de oostelijke zijde van de kerk. Zij heeft een rechthoekige vorm en zij is bedekt met een koepel op een pendentief en het is een werk uit de achttiende eeuw. In het lager gedeelte, in het midden zien we een beeld van de Virgen de los Dolores. 


Hekwerk van de kapel van de Virgen del Pilar

10. De Kathedraal van de Verlosser

De Kathedraal van de Verlosser, in het Spaans “Catedral del Salvador” is een kathedraal in Zaragoza. Het is een deel van het Werelderfgoed van de Unesco, Spaanse mudejar bouwstijl in Aragon.



We kunnen de kathedraal vinden op de Plaza de la Seo en hij is beter bekend als La Seo.

A. Geschiedenis

De locatie van de kathedraal heeft zijn oorsprong in het oude Romeinse forum. Anders dan andere stedelijke forums lag het forum van Zaragoza niet aan de samenkomst van de Cardus (noord-zuid straat) en de Decumanus (oost-west straat) maar lag het forum aan de Ebro, naast de haven.

Het forum was het burgerlijk en commercieel hart van de stad en het bevatte de belangrijkste tempel. Het museum van het forum kan je vinden op de plaza del Pilar aan de overzijde van de voorgevel van de kathedraal. Er zijn geen overblijfselen gevonden van een Visigotische of Mozarabische kerk.

B. De moskee

Hanas ben Abdallah as San'ani was een volgeling van iemand die dicht bij Mohammed stond en hij bouwde volgens al-Humauydí de grote moskee van Saraqusta al Baida, Zaragoza la Blanca.

Deze grote moskee is zeker een van de oudste moskeeën van Al-Andalus.

Het gebouw kreeg twee uitbreidingen, de eerste was in de negende eeuw en de tweede gebeurde in de elfde eeuw tijdens de periode van de taifa koning van Zaragoza, Mundir I.

Tijdens de restauratie die eindigde in 1999 ontdekte men een aantal overblijfselen uit die periode en dat waren overblijfselen van een minaret die tegen de buitenmuren stond en de vloer van een oud gebouw. Verder ontdekte men dat de ingang van de moskee op dezelfde plaats lag als die van de huidige kathedraal.

De aankomst in 1118 van Alfonso I in Zaragoza leidde niet tot de onmiddelijke afbraak van de moskee. Hij gaf de moslims een jaar de tijd om de stad te verlaten en op 4 oktober 1121 werd het gebouw ingewijd onder de naam “de Verlosser” en werden er de noodzakelijke verbouwingen uitgevoerd voor het gebruik als christelijke kerk.

C. De Romaanse kathedraal

De afbraak van de moskee en de bouw van de laat romaanse kathedraal begon in 1140. De nieuwe kerk kreeg een typisch ontwerp van een kathedraal met een dwarsbeuk en drie beuken die eindigen in een apsis. Het gebruikte materiaal was steen en stilistisch leek hij op de kathedraal van Jaca.

Naast de kerk zelf is er een archief, een refter, een kinderdagverblijf en twee kloostergangen.

Vanuit deze periode is het lager gedeelte van twee van de apsissen bewaard gebleven. De bouw van de originele kathedraal ging verder doorheen de ganse dertiende eeuw.

Vanaf 1204 tot in de vijftiende eeuw werden alle koningen van Aragon in deze kerk gekroond en dit kon gebeuren door een speciaal voorrecht dat Paus Inocencio III had gegeven.

De koning die de vorige nacht had gewaakt bij zijn wapentuig in het Aljafería ging van daar in een processie naar de kerk.

De ceremonie bevatte vier delen: nazicht van de wapens, zalving met de heilige olie, het opzetten van de kroon en het plaatsen van de koninklijke onderscheidingstekenen en het afleggen van de eed op de “fueros”, de statuten en de vrijheden van het koninkrijk van Aragon.

De laatste koning die in de Seo gekroond werd was Carlos I van Spanje. Latere koningen moesten enkel de eed afleggen op de fueros. Koninklijke dopen, huwelijken en begrafenissen gingen nog wel door in de kathedraal.

D. De gotische-mudejar kathedraal

In 1318 maakte paus Juan XXII het aartsbisdom van Zaragoza en daardoor werd het onafhankelijk van Tarragona. Toen Zaragoza eenmaal een aartsbisdom was moest er ook een kathedraal komen en daarvoor kwamen er uitbreidingen die gebouwd werden met goedkope materialen die er in overvloed voorkwamen, stenen en plaaster.

Onder het toezicht van aartsbisschop Pedro López de Luna (1317–1345) werd er een gotische kerk gebouwd met drie schepen (de huidige drie midden schepen) maar men behield de Romaanse apsissen.

Het midden schip is hoger gebouwd dan de twee andere en dat maakte het mogelijk om ramen te maken die in 1447 voorzien werden van vensters in gekleurd glas.

In 1346 werd er een mudejar koepel geplaatst die het altaar moest voorzien van licht en hier werkten de meesters Juan de Barbastro en Domingo Serrano aan mee. Het werk was af in 1376 toen Don Lope Fernández de Luna al aartsbisschop was en men maakte hierdoor een goed verlichte gotische kathedraal.

In 1360, tijdens de periode van aartsbisschop Don Lope Fernández de Luna werd de belangrijkste gevel gerenoveerd en werd de zogenaamde Parroquieta gebouwd, dit alles was in mudejar stijl. Het enige uit die periode dat is overgebleven is de Parroquieta of de parochiale kapel van San Miguel Aartsengel. Deze kapel was gebouwd als een onafhankelijke kapel binnenin de kathedraal en was door aartsbisschop Don Lope gebouwd als een grafkapel.

De bouw, elegant gebouwd in gotisch-mudejar stijl is een uniek voorbeeld van het werk van de meesters uit Aragon en de bouwers uit Sevilla. Zij bedekten de buitenmuur met geometrische figuren die gemaakt zijn van zachte steen en keramische tegels. Binnenin is het plafond gemaakt van verguld hout in mudejar stijl.

E. De renaissance kathedraal

In 1403 stortte de oude koepel neer en de tegenpaus Benedictus XIII (Papa Luna) die afkomstig was van Aragon beval de heropbouw van het gebouw. De romaanse apsis werd verhoogd, twee torens werden bijgebouwd die de zijden van de apsis ondersteunden en een nieuwe koepel werd gebouwd. Deze koepel kreeg de vorm van een pauselijke tiara. Hij werd versierd door meester Mohammed Rami, en toen Benedictus XIII de stad in 1410 bezocht ging hij kijken naar deze koepel.

Het belangrijkste altaarstuk werd gemaakt tijdens de periode van aartsbisschop Don Dalmau de Mur y Cervelló (1431–1456). Dalmau Mur had voornamelijk aandacht voor het interieur van de kathedraal en naast het altaar ging zijn aandacht naar het koor en enkele andere kleine constructies.

Op 14 september 1485 werd Pedro de Arbués, kanunnik en hoofd Inquisiteur van Aragón in de kathedraal vermoord toen hij aan het bidden was.

Dit was een gevolg van de slechte ontvangst van de Inquisitie in Aragón waar het idee leefde dat het een aanval was van de kroon op de verworven rechten, de lokale wetten en de voorrechten.

In het bijzonder, sommige van de machtigste families onder de bekeerde Joodse families zoals de families Sánchez, Montesa, Paternoy en Santángel waren betrokken bij de moord.

Dit had dan weer tot gevolg dat er een volksbeweging tegen de joden ontstond. Negen leden van die families werden geëxecuteerd, twee leden pleegden zelfmoord, dertien leden kwamen om op de brandstapel en vier leden werden er gestraft voor medeplichtigheid.

Pedro de Arbués werd door paus Pius IX in 1867 heilig verklaard en zijn graf, ontworpen door Gil Morlanes de Oudere, kan men vinden in de kathedraal in de kapel van San Pedro Arbués.

Tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw was de kathedraal een van de centra van de Aragonese school van polyfonische muziek. Muzikanten zoals Melchor Robledo, Sebastián Aguilera de Heredia, Pedro Ruimonte, Diego Pontac, Jusépe Ximénez en Andrés de Sola werkten en componeerden hier.

F. Recente tijden

De langdurige rivaliteit tussen de kanunniken van El Pilar en La Seo was in de zeventiende eeuw goed bekend. Het bestuur van de kathedraal El Pilar begon een zaak tegen La Seo om de bisschopszetel naar hen te krijgen maar koning Felipe IV steunde La Seo.

Het geschil geraakte niet opgelost tot in 1676 paus Clemente X een Salomonsachtige beslissing trof. Hij verenigde de twee besturen in een bestuur. Zes dignitarissen en 15 kanunniken verbleven in La Seo en hetzelfde aantal verbleef in El Pilar. De deken moest zes maanden in de ene kathedraal verblijven en dan zes maanden naar de andere kathedraal gaan.

In de zeventiende eeuw werd de oude mudejar toren afgebroken en in 1686 begon men met de bouw van een nieuwe toren. Deze was in Rome in 1683 ontworpen door Juan Bautista Contini en het ontwerp was in barokstijl. De werken begonnen in 1686 en eindigden in 1704 met de plaatsing van de torenspits.

De voorgevel was gebouwd in de achttiende eeuw in een Italiaanse barokstijl en dat had een duidelijk neoklassiek voorkomen. Het was door aartsbisschop Añoa aan Julian Yarza toevertrouwd en dat was een leerling van Ventura Rodríguez.



Tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw was er een grote restauratie die 23 jaar zou duren. Het restauratieproject kan ingedeeld worden in vier delen:
  • Van 1975 tot 1987: de vervanging van de zes pijlers van het middenschip, het dak, de dakranden, het glas, de fundering, de afbraak van aangrenzende gebouwen en archeologische opgravingen.
  • Van 1987 tot 1992: de muur van de Parroquieta, de koepel en de kapellen van de hoofd en de neoklassieke gevel. 
  • Van 1992 tot 1994: de afronding van het werk aan de buitenzijde en de opgravingen van Romeinse en Moslim overblijfselen. 
  • Van 1995 tot 1998: de restauratie van de toren, de torenspits met de klok, het orgel, het groot altaarstuk en het pleisterwerk. Er kwam dan nog de reiniging en de restauratie van de kapellen bij en het museum van de tapijten werd gerestaureerd.
In totaal werden er door de Regering van Aragon, de aartsbisschop van Zaragoza, het Spaans Ministerie van Onderwijs en Cultuur, Ibercaja en de Caja de Ahorros de la Inmaculada 2 miljard pesetas uitgegeven voor deze restauratie.

G. Bouwstijlen

La Seo was gebouwd op de site van het oude Romeinse forum en op de grote moskee van de Moorse stad Saraqusta. Delen van die minaret maken deel uit van de huidige toren. De bouw begon tijdens de twaalfde eeuw in Romaanse stijl en onderging veel verbouwingen en uitbreidingen tot in 1704 toen de torenspits het werk voleindigde.
 
De kathedraal is een mengeling van stijlen, van de Romaanse apsis (twaalfde eeuw) tot de barokke toren en de neoklassieke toegangspoort (achttiende eeuw). Ondertussen maakte men nog gebruik van de mudejar en de gotische stijl. Deze stijlen vinden we in:
  • Romaans: binnenin in het lagere gedeelte van de apsis. Het romaanse gedeelte van de apsis bleef behouden maar het is nu bedekt met het gotische altaarstuk. In de sacristie is er de "olifant" van Gaston IV van Béarn dat gemaakt is in ide elfde eeuw, de bustes van San Valero, San Vicente en San Lorenzo die geschnoken werden door de antipaus Benedicto XIII.
  • Gotiek: gemengd met de mudejar bouwstijl en vooral in het bovenste gedeelte aan de buitenkant van de apsis. De drie centrale beuken met hun bogen. Het magnifieke altaarstuk van geschilderd albast dat gemaakt werd door Pere Johan en Hans de Suabia. Het koorgestoelte. Het museum van Vlaamse tapijtkunst uit de vijftiende, zestiende en de zeventiende eeuw en het is van de drie grootste collecties ter wereld. 
  • Mudejar:De buitenmuur van de Parroquieta van San Miguel en zijn houten verguld plafond. 
  • Renaissance: In de Parroquieta van San Miguel, de graftombe van aartsbisschop Don López Fernández de Luna uit de zestiende eeuw. De koepel heeft mudejar invloeden en deze koepel werd gebouwd in de zestiende eeuw om de oude Moorse koepel te vervangen.
  • Barok: Toren en toegangspoort.

H. Het interieur van de kathedraal

Beginnend beneden in de kathedraal zijn er de kapellen aan de rechterzijde:
  • Deur van het Pabostría en atrium.
  • Kapel van Nuestra Señora de las Nieves. Een laat gotische kapel met een barok altaar en schilderijen van Francisco Ximeno. 
  • Kapel van San Valero. Een barokke portiek van verguld hout uit de zeventiende eeuw. Er staan afbeeldingen van San Valero, San Vicente en San Lorenzo. De muren werden geschilderd door García Ferrer. 
  • Kapel van Santa Helena of de Nuestra Señora del Carmen of van de Santísimo Sacramento. Het altaar, de ingang en de schilderijen zijn van Lupicini van Florence. 
  • Kapel van de aartsengelen Miguel, Rafael en Gabriel. De kapel is in de zestiende eeuw als grafkapel gebouwd door Garbriel Zaporta. Enkel het deksel van de sarcofaag is uit die eeuw. In renaissance stijl is de versiering van het altaar en die is gemaakt door Juan de Anchieta. De schilderijen en de mozaïeken zijn vermoedelijk van Pedro Morone. 
  • Kapel van Santo Dominguito de Val. Deze barok kapel is uit de tweede helft van de achttiende eeuw en hier liggen de overblijfselen van de heilige zelf. 
  • Kapel van San Agustin. De versieringen van het altaar zijn in renaissance stijl en ze zijn van de hand van Gil Morlanes. Tevens zijn er sculpturen van Gabriel Yoly en José Sanz. 
  • Kapel van San Pedro Arbués. Op de muren zien we ingelijste schilderijen uit de zeventiende eeuw van de hand van Berdusán. Onder een baldakijn met Salomonische zuilen is er een beeldhouwwerk van San Pedro Arbués uit de zeventiende eeuw van de hand van Juan Ramírez. De barokke deur is uit de achttiende eeuw.
Beginnend beneden in de kathedraal zijn er de kapellen aan de linkerzijde:
  • Kapel van San Bernardo. Dit is een van de grootste renaissance werken in Aragon. Tussen 1549 en 1555 bevatte het de graven van de aartsbisschop Hernando de Aragón die de bouw van deze kapel beval en dat van zijn moeder Ana de Gurrea. Juan Vizcaíno maakte de graftombe van de aartsbisschop en Juan de Liceire maakte de tombe van zijn moeder.
  • Kapel van San Benito. Uitgevoerd in gotische stijl in de zestiende eeuw. De bouw had een vertraging die veroorzaakt was door Hernando de Aragón om er de lichamen van zijn bedienden in te ontvangen. 
  • Kapel van San Marco. De voorzijde is in overdadige barokstijl, De plaaster staat op marmeren sokkels en zij werd gebouwd in 1711 door José Serra. 
  • Kapel van de Geboorte. Een eenvoudige deuropening uit de zestiende eeuw. De altaarversieringen zijn panelen die toegeschreven worden aan Roland de Mois of Jerónimo de Mora uit de zestiende eeuw. Er is tevens een renaissance hek van Hernando de Ávila. 
  • Kapel van Santa Justa en Santa Rufina. Schilderijen van Juan Galván hangen aan de muren. De schilderijen van de heiligen zijn door Francisco Camilo in 1644 geschilderd. 
  • Kapel van San Vicente. Een barokke toegang. Het beeldhouwwerk van San Vicente is van de hand van Carlos Salas. 
  • Kapel van Santiago el Mayor. Een beeld van Santiago uit de zestiende hangt onder een barokke overdekking.
I. Koor

Het koor gedeelte wordt gevormd door 117 eiken stoelen die gebouwd werden door drie monniken. Het is omsloten door een bronzen hekwerk met vergulde houten beelden van de hand van Juan Ramírez. Aartsbisschop Dalmau Mir ligt hier begraven.

Het orgel bevat nog enkele delen van het oorspronkelijke gotische orgel uit 1469. Het huidige orgel is het resultaat van de moeilijke integratie van die historische delen met de meer modernere. Dit werk is gebeurt tussen 1857 en 1859 door Pedro Roqués.



Aan de achterzijde van het koor ligt de kapel van Santo Cristo met een afbeelding van de gekruisigde Christus, van de Mater Dolorosa en van San Juan die gemaakt zijn op het einde van zestiende eeuw door Arnau de Bruselas.

Dit alles staat onder een baldakijn dat ondersteund is door Salomonische kolommen van zwart marmer. De versieringen zijn het werk van Jerónimo Vallejo, Arnau de Bruselas en Juan Sanz de Tudelilla en ze zijn van hard plaaster gemaakt. Samen vormen zij een van de meest opmerkelijke groepen van sculpturen in de renaissance stijl van Aragon.

K. Apsis
  • Kapel van de Virgen Blanca (Witte Maagd). De houten versieringen aan het altaar zijn in barokstijl en de schilderingen zijn van de hand van Jusepe Martínez. We zien ook een albasten beeld uit de vijftiende eeuw van de Maagd met kind van de hand van de Franse beeldhouwer Fortaner de Uesques. Op de vloer zien we een aantal graven van aartsbisschoppen van Zaragoza uit de zestiende en de zeventiende eeuw.
  • Groot altaar versieringen. Dit is opgedragen aan de Verlosser en het was origineel gemaakt tussen 1434 en 1480 in albast en beschilderd door een aantal artiesten waaronder Pere Johan, Francisco Gomar en Hans de Suabia. 
  • Kapel van San Pedro en San Pablo. Het altaar heeft versieringen van verguld hout met afbeeldingen uit het leven van San Pedro en San Pablo.

11. Websites: