Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

De eerste Koning, na Franco


  1. Algemeen
  2. Zijn eerste jaren en Prins van Spanje
  3. Het koningschap
  4. De troonsafstand
  5. De regeringen tijdens de regeerperiode van Juan Carlos I
  6. Privé leven en de familie

1. Algemeen

Juan Carlos I de Borbón is geboren op 5 januari 1938 in Rome en is de vorige Koning van Spanje, zoals geproclameerd op 22 november 1975 na de dood van de dictator Francisco Franco.


Hij werd erkend als koning en als een symbool van de nationale eenheid en de wettelijke erfgenaam van de historische dynastie, krachtens de Spaanse Grondwet welke geratificeerd werd per referendum op 6 december 1978 en welke van kracht werd op 27 december van hetzelfde jaar.

Daarvoor had hij taken ad interim vervuld aan het hoofd van de staat gedurende de ziekte van Franco. Volgens opiniepeilingen genoot hij een zeer hoge graad van populariteit onder de Spanjaarden maar die was de laatste jaren, door tal van omstandigheden, in dalende lijn. In 2008 was hij de populairste leider in Iberoamarica.
 
2. Zijn eerste jaren en Prins van Spanje

Hij is geboren als Juan Carlos Alfonso Víctor María de Borbón y Borbón-Dos Sicilias, Juan Carlos I is de kleinzoon van Alfonso XIII en zoon uit het huwelijk van Juan de Borbón, graaf van Barcelona en van Maria de las Mercedes de Borbón en Orleans.

Juan Carlos is geboren in Rome, Italië tijdens de ballingschap van de koninklijke familie en zij waren niet aanwezig in Spanje sinds de afkondiging van de Republiek in 1931.

Juan Carlos werd gedoopt in de kapel van de Orde van Malta door de toenmalige kardinaal Eugenio Pacelli en tevens de latere paus Pius XII. Zijn grootmoeder langs vaders zijde, koningin Victoria Eugenia werd meter en zijn grootvader langs moeders zijde, Carlos de Borbón y Borbón werd peter.

Tijdens een onderhoud dat op 25 augustus 1948 gehouden werd tussen de dictator Franco en de Graaf van Barcelona werd er besloten dat de kroonprins terug naar Spanje zou komen om er zijn onderwijs te volgen. Op de leeftijd van 10 jaar kwam Juan Carlos voor de eerste maal naar Spanje.

Zoals overeengekomen volgde hij de lessen in Madrid en behaalde er zijn bachelor diploma. Nadien volgde hij de cursussen op de Academia General Militar in Zaragoza en op de Escuela Naval Militar de Marin in Pontevedra om als laatste zijn studies af te sluiten op de Academia General del Aire de San Javier (Murcia).

Tijdens de vakantie van de Semana Santa in 1956, was de 18 jarige Juan Carlos in de residentie van de familie in Estoril (Portugal) . Tijdens het spelen met zijn jongere broer Alfonso gaat er per accident een revolver af die Alfonso raakt en die zo de dood veroorzaakt van Alfonso. Volgens een officieel bericht van de Spaanse ambassade heeft Alfonso zichzelf neergeschoten tijdens het reinigen van het wapen.

De oudere broer van Juan en oom van Juan Carlos, Jaime de Borbón had ondertussen spijt gekregen van zijn verzaken aan de troon en vroeg pas veel later een diepgaand onderzoek aan naar de tragedie teneinde zo zijn rechten op de troon terug te krijgen.

Krachtens de wet over de opvolging aan het hoofd van de staat, de “Ley de Sucesión en la Jefatura del Estado” van 26 juli 1947 werd Juan Carlos voorgedragen als opvolger van Franco met de titel van Koning. Het voorstel werd aangenomen door de “Cortes Españoles” dat is de Spaanse Kamer in juli 1969, nadat de jonge prins de eed had afgelegd om de wetten te bewaken en zich te houden aan de wetten van de “Las Leyes Fundamentales del Reino” en dat hij zich zou houden aan de beginselen van de Movimiento Nacinal (Nationale Beweging) zijnde de ideologie van Franco.

Volgens de dynastieke regels had de opvolging moeten overgedragen worden aan zijn vader, Juan de Borbón y Battenberg, de derde zoon en erfgenaam van de koning Alfonso XIII. Zonder twijfel hebben de niet zo hartelijke verhouding tussen Juan de Borbón en Franco de sprong in de lijn van opvolging bepaald en hebben zo de benoeming van Juan Carlos als “Principe de España’ Prins van Spanje met zich meegebracht. De titel Prins van Spanje was een nieuwe titel waarmee men beoogde om de afstand te overbruggen met de meer liberale Spaanse monarchie.


Deze sprong werd geaccepteerd door prins Juan Carlos, maar creëerde een intern conflict in het Koninklijk Huis van Borbón. De Graaf van Barcelona deed geen afstand van de troon tot in 1977, wanneer het koningschap van zijn zoon begint en het Franco regime ten einde komt.

3. Het koningschap

Juan Carlos I was als opvolger aangewezen door Franco zelf als Hoofd van de Staat en hij heeft deze functie ad-interim uitgevoerd vanaf 19 juli 1974 tot 2 september 1974 en vanaf 30 oktober 1975 tot 20 november 1975 wanneer Franco zijn functie wegens ziekte niet meer kon uitvoeren.

Bij de aankondiging van de dood van Franco op 20 november 1975 heeft hij gezworen de beginselen van de Movimiento Nacional te eerbiedigen, vooral bestemd om het Francoïsme te doen voortleven. Om dit achteraf niet te moeten volgen baseerde hij zich op een referendum voor politieke hervormingen, welke met een overweldigende steun van 94 % van de Spanjaarden voor steun aan de hervormingen, het begin is van de Transiciõn Española (Spaanse Overgang) en gaat leiden tot een echte democratie.

Hij werd tot koning van Spanje uitgeroepen door de Cortes Españolas met de naam Juan Carlos I van Spanje op 22 november 1975 en hij besteeg de troon op 27 november met een ceremonie genaamd "Misa de Espíritu Santo" (het is het equivalent van een kroning) en ze werd gevierd in de historische Kerk San Jerónimo el Real te Madrid.

Op 14 mei 1977 heeft zijn vader, de Graaf van Barcelona, zijn historische rechten op de troon verzaakt en als hoofd van het koninklijk huis zijn zoon Juan Carlos erkend nadat hij de onmogelijkheid had vastgesteld om persoonlijk de troon te bestijgen.

Met deze afstand wordt de historische dynastie in deze vorm verder gezet, na de afkondiging van Juan Carlos I als koning van Spanje en met de afstand op de troon van Juan de Borbón. De zoon van Juan Carlos I, Felipe wordt erfgenaam van de kroon en hij aanvaard de titel van Principe de Asturias, (Prins van Asturias) op 1 november 1977, dit gebeurt volgens de Pragmática Sanción van 1830, die de traditionele opvolgingsrechten op de troon regelt.

Tijdens zijn koningschap wordt de Spaanse Grondwet goedgekeurd welke de taken van de koning omschrijft, het schaft de politieke betrokkenheid van de Kroon af en maakt van Spanje een parlementaire monarchie naar westers model. Bovendien is er artikel 57 van de grondwet, dat de rechten erkend van de wettige erfgenaam van de historische dynastie. De grondwet werd geratificeerd in een referendum op 6 december en Juan Carlos bekrachtigd de grondwet op 27 december.

Een van de meest ernstige momenten tijdens het koningschap van Juan Carlos I was de poging tot staatsgreep op 23 februari 1981, algemeen bekend als “23 –F”. Deze dag, tijdens de installatie van Leopoldo Calvo Sotelo als eerste minister, nam een gewapende groep van de Guardia Civil onder leiding van kolonel Antonio Tejero het parlement in. Tegelijkertijd bezette de commandant van het militaire disctrict Valencia, de generaal Jaime Milans del Bosch de straten van de stad met zijn legeronderdeel en stuurde er zijn tanks de straat op.


Dan verscheen de koning op de televisie vanuit zijn paleis in Madrid, hij zei dat hij deze staatsgreep ten stelligste afkeurde en hij gaf zijn steun aan het parlement. Dit vergrootte ontegensprekelijk zijn charisma en invloed in bepaalde linkse politieke sectoren, die tot op dat moment hem en de monarchie niet zo erg genegen waren.

Santiago Carillo, op dat moment secretaris-generaal van de Communistische Partij van Spanje, en die in 1975 de nieuwe koning de bijnaam “Juan Carlos I, de korte” gaf, hiermee verwijzend naar de volgens hem korte periode waarin Juan Carlos I zou regeren zei de dag na de poging tot staatsgreep “Vandaag zijn we allemaal monarchisten”.

Voor 1981 was de steun voor de monarchie onder linkse kiezers en partijen eerder laag te noemen. Na zijn actie tegen de staatsgreep werd deze steun merkelijk groter. Volgens een peiling in de krant “El Mundo” in november 2005 denkt 77,5% van de Spanjaarden ‘goed of zeer goed’ over de koning, 15,4% denkt er ‘niet zo goed’ over en enkel 7,1% denkt er ‘slecht tot zeer slecht’ over.

Op 28 september 2007 werden foto’s van de koning openbaar verbrand in de autonome regio Catalonië door groepen Catalaanse nationalisten welke terug naar een republiek willen. Een vergrijp waar in Spanje gevangenisstraf opstaat.

In juli 2000, was Juan Carlos I het slachtoffer van een moordcomplot. De dader Juan Maria Fernández y Krohn had al eerder geprobeerd om een aanslag te plegen op paus Johannes Paulus II.

4. De troonsafstand of abdicatie

Na een teruglopende populariteit door een aantal schandalen waaronder een privéreis naar Botswana in april 2012 waar hij deelnam aan een olifantenjacht kwam Juan Carlos ten val en brak hij zijn rechterheup.  Dat hij ging jagen ten tijde van de economische crisis in het land, leverde hem kritiek op bij zijn onderdanen. De jacht kostte hem ook zijn ere-voorzitterschap van de Spaanse WWF-afdeling.  Op 2 juni 2014 kondigde de koning aan te zullen aftreden ten gunste van zijn zoon Felipe. Op 4 juni werd als datum voor de troonswisseling 18 juni vastgesteld.

5. De regeringen tijdens de regeerperiode van Juan Carlos I.

Carlos Arias Navarro (1974 – 1976) : was regeringsleider tijdens de eerste politieke hervormingen. Zijn voortdurende afkeuring voor de snelheid en de grootte van de politieke verandering en zijn voortdurende bekommernis voor de politieke erfenis van Franco bevorderde uiteindelijk zijn ontslag. Op 1 juli 1976, tijdens een gespannen vergadering met de koning gaf Arias Navarro uiteindelijk zijn definitief ontslag.
Adolfo Suárez González (1976 – 1981): werd gesteund door een groep van politici van zijn generatie,welke de overtuiging hadden dat er meer democratie mogelijk was maar volgens diverse wegen. Tussen 1976 en 1978 heeft hij het Franco regime ontmanteld door middel van voortdurende en diepe hervormingen. Een mijlpaal in zijn regeerperiode is de goedkeuring van het project politieke hervormingen en van de eerste vrije algemene verkiezingen in 1977 welke uiteindelijk leidde tot een constitutioneel verkozen parlement. Hij gaf zijn ontslag in 1981, moe van de toenemende druk van de partijen ter linkerzijde en van de druk uit zijn eigen partij, de UCD.
Leopoldo Calvo-Sotelo y Bustelo (UCD) (1981 – 1982): de meest markante beslissing tijdens zijn mandaat was de aansluiting van Spanje bij de NATO. Deze beslissing werd erg betwist door de Spaanse socialisten (PSOE). Tijdens zijn korte regeerperiode kwamen de coupplegers van 23 februari 1981 reeds vrij.
Felipe González Márquez (PSOE) (1982 – 1996): de meest opvallende feiten tijdens zijn lange regeerperiode waren de aansluiting bij de NATO, voordien hadden de socialisten enkel oppositie gevoerd tegen de NATO. Na een referendum in 1986 keurden de socialisten de toetreding tot de NATO toch goed. Tijdens zijn regeerperiode trad Spanje ook toe tot de EEG en kon Spanje de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona vieren. Zijn diepgaande modernisering van de Spaanse economie en van de sociale sector steunden zijn opeenvolgende verkiezingssuccessen die hij verkreeg met een absolute meerderheid. Tijdens de laatste jaren van zijn regering was er een diepe economische crisis, er brak een corruptieschandaal uit en zijn mogelijke maar niet bewezen betrokkenheid bij de GAL, dat waren Spaanse doodseskaders tegen de Baskische ETA. Wat zijn relatie met de koning betreft, externe waarnemingen wijzen op een hartelijkheid tussen beide mannen.
José Maria Aznar López (PP) 1996 - 2004), zijn politiek wordt gekenmerkt door economische successen: een zero deficit en een sterke schepping van werk welke beter zijn dan die in omliggende landen. Ook wordt de euro ingevoerd. Verder kenmerkt zijn regeerperiode zich door een verdere integratie in de militaire structuur van de NATO en de diplomatieke steun voor de invasie in Irak. Drie dagen voor de algemene verkiezingen van 2004, waaraan Aznar zelf niet meer meedeed was er de aanslag in Madrid (11-M). Na de volgehouden leugens door Aznar en zijn partij de Partido Popular over de vermeende betrokkenheid van de ETA, verloor de Partido Popular de verkiezingen aan de socialisten.
José Luis Rodriguez Zapatero (PSOE) (2004 – 2011), Zapatero stond een socialistische partij voor ogen naar het voorbeeld van New Labour van Tony Blair. Op 9 maart 2008 werd Zapatero herkozen voor een tweede termijn. Deze tweede termijn heeft voornamelijk in het teken gestaan van het bestrijden van de gevolgen van de wereldwijde kredietcrisis die Spanje hard trof. Hiertoe heeft de regering het zogenaamde 'Plan E' gepresenteerd. Zapatero slaagde er evenwel niet in de werkloosheid binnen de perken te houden. Deze steeg van 10% (aan het begin van zijn bewind) tot boven de 20% in 2011. Zapatero's tweede termijn zou eigenlijk duren tot 2012. In oktober 2010 gaf hij nog aan geen vervroegde verkiezingen uit te gaan schrijven, maar daar is hij in juli 2011 op teruggekomen. De verkiezingen werden gehouden op 20 november, een historische dag in de Spaanse geschiedenis (namelijk de sterfdag van Francisco Franco). Zapatero stelde zichzelf niet herkiesbaar. Hij werd opgevolgd door Mariano Rajoy van de Partido Popular.
Mariano Rajoy Brey (PP) (2011 - tot op heden), Nadat de Partido Popular een overwinning had behaald in de parlementsverkiezingen van 2011, wordt Rajoy op 21 december 2011 ingehuldigd als premier van de tiende legislatuur. Tijdens zijn inhuldigingsrede kondigt hij aan 16,7 miljard te willen bezuinigen. Uiteindelijk moet hij zelfs veel meer bezuinigen. De belangrijkste posten waar zijn regering in wil snijden zijn sociale voorzieningen zoals werkloosheidsuitkeringen, de gezondheidszorg en het ambtenarenapparaat.

Verder staat hij een versobering van de rechten van werknemers voor, om te bezuinigen maar ook als maatregel tegen de werkloosheid. Al binnen twee maanden realiseert hij dit met het doorvoeren van een hervorming van de arbeidsmarkt. Deze hervormingen, die door veel Spanjaarden gezien worden als een verzwakking van de rechten van de werknemers, worden gevolgd door protesten en een algemene staking op 29 maart 2012.

Ondanks de beloftes en de pogingen de economie weer op gang te brengen verslechtert de economische situatie van het land, en op 10 juni 2012 moet Spanje hulp vragen voor de banken bij het Europese noodfonds.

6. Privé leven en de familie

In 1962 huwt hij met prinses Sofia van Griekenland en Denemarken (Sofia Glücksburg). In dit huwelijk werden er 3 kinderen geboren: prinses Elena, hertogin van Lugo, prinses Cristina, hertogin van Palma de Mallorca en prins Felipe prins van Asturië.

Hij is eveneens grootvader van 8 kleinkinderen: Felipe Juan Froilán en Victoria de Marichalar y de Borbón, Juan, Pablo, Miguel en Irene Urdangarin y de Borbón en de prinsessen Leonor en Sofia de Borbón Ortiz.

De officiële residentie van de koninklijke familie is het koninklijk paleis in Madrid maar dat wordt enkel gebruikt voor officiële ceremoniën. De koning woont in het Palacio de la Zarzuela en de familie van de kroonprins Felipe woont ook op dit domein, in een woning genaamd “Pabellón del Principe”. De prinsessen Elena en Cristina wonen in privé woningen in respectievelijk Madrid en Barcelona.

Koning Juan Carlos is een fan van zeilen en skiën, hij doet ook aan amateur radio zenden en , zijn ken nummer is EAOJC.

Koning Juan Carlos is doctor Honoris Causa aan de universiteiten van Bologna (1988), Oxford (1986) , Cambridge (1986), Harvard (1983) en van de Sorbonne (1985)