Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

Economie


  1. Economie
  2. Recente ontwikkelingen
  3. Groeiende vermindering van de Europese fondsen
  4. 2008–2009 financiële crisis
  5. Het Spaanse bank systeem
  6. De Euro kredietcrisis van 2010
  7. De crisis van de werkgelegenheid
  8. Prijzen
  9. Economische banden
  10. Een groeiende export
  11. Economische sectoren
1. Economie

De Spaanse economie is volgens het BBP gemeten (Bruto Binnenlands Product) de twaalfde belangrijkste economie ter wereld en het land staat op de vijfde plaats in Europa. Wat betreft de ontwikkeling van het land staat Spanje op de twintigste plaats.

Tot in 2008 werd de Spaanse economie beschouwd als een van de meest dynamische binnen de Europese Gemeenschap doordat het enorme sommen buitenlands kapitaal kon aantrekken.

Spanje kon ook zeer lang de negatieve economische groei uitstellen waar andere landen al veel langer onder te lijden hadden.

Tussen 2000 en 2005 was Spanje alleen verantwoordelijk voor de helft van alle nieuwe jobs in de Europese Gemeenschap. In 2011 was deze situatie totaal omgekeerd.

2. Recente ontwikkelingen

Nog niet zolang geleden had de Spaanse economie een groot voordeel uit de wereldwijde immobiliën boom waarin de bouwsector een verbazingwekkend aandeel had van 16% van het Bruto Binnenlands Product en 12% van de tewerkstelling.

Volgens berekeningen van de Duitse krant Die Welt was Spanje op weg om landen zoals Duitsland voorbij te steken wat betreft het gemiddeld inkomen van de bevolking. Maar door de neergang van de immobiliënsector en de overeenstemmende opgang van de persoonlijke schulden hadden toekomstige huiseigenaars meer en meer moeite om de gevraagde prijzen te betalen. Daardoor verdrievoudigde de schulden van de gezinnen in minder dan 10 jaar.

Dit gaf vooral een grote druk op de lagere en de middeninkomens en in 2005 was de mediaan verhouding tussen de schuldenlast en het inkomen gestegen tot 125%. Dit kwam voornamelijk door de dure prijsperiode waardoor de waarde van de hypotheek de waarde van de woning oversteeg.

De Europese Commissie had voorspelt dat Spanje eind 2008 in een recessie zou geraken.

Volgens de toenmalige Spaanse Minister van Economie was Spanje in de diepste recessie geraakt sinds een halve eeuw. Op dat moment voorspelde de Spaanse regering nog dat de werkloosheid in 2009 zou oplopen tot 16%. De OESO zag een groei van de werkloosheid tot 20 %.

Door de eigen economische ontwikkeling en de uitbreiding van de Europese Unie tot 28 leden (in 2007) had Spanje een BBP per capita van 105 % van het Europees gemiddelde. Daarmee komt Spanje voor Italië te staan dat een gemiddelde van 103 % heeft. Maar binnen Spanje zijn er extreme verschillen tussen de regio's, Baskenland, Madrid en Navarra komen aan een gemiddelde BBP van 125% en daar staat Extremadura tegenover met amper 85% van het gemiddelde BBP.

De centrum-rechtse regering van de toenmalige Eerste-Minister José María Aznar werkte hard om aansluiting te vinden bij de landen die in 1999 de euro gingen gebruiken. Op dat moment stond de werkloosheid op 7,6%. Dat was een cijfer dat gunstig afstak tegenover de andere Europese landen en vooral tegenover het begin van de jaren 90 toen men in Spanje een werkloosheid had van 20 %.

Blijvende zwakke punten voor de Spaanse economie waren een hoge inflatie, een grote “zwarte” economie en een onderwijssysteem waarvan de OESO zegde dat het zwakste systeem was in de ontwikkelde landen.

Echter de vastgoedzeepbel die begon in 1997 werd gevoed door historisch lage interestvoeten en een massale immigratie barstte open in 2008. Dit leidde tot een zwakkere economie en oplopende werkloosheid. Op het einde van 2011 bereikte de werkloosheid de 23 %, dit ging tot 28 % in Andalusië en de Canarische Eilanden.

3. Groeiende vermindering van de Europese fondsen

De kapitaalsinjecties door de Europese Unie hebben in een belangrijke mate bijgedragen aan de Spaanse economische ontwikkeling sinds Spanje is toegetreden tot de Unie. De laatste 20 jaar zijn deze ontwikkelingsfondsen sterk verminderd door de Spaanse ontwikkeling en door de uitbreiding van de Europese Unie. Aan de ene hand zijn de landbouwfondsen verminderd door de grotere spreiding over meer landen (de landen in oost Europa hebben een grote landbouwsector) en aan de andere kant zijn de structuur en cohesie fondsen gedaald door het grote economische succes.

Door de integratie van minder ontwikkelde landen in de Europese Unie is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking gedaald en daardoor steeg dat inkomen procentueel in Spanje. Spanje werd langzaam aan een nettobetaler aan deze fondsen in de Europese Unie.

4. 2008–2009 financiële crisis

Spanje ging in 2004 verder op de weg van de economische groei onder de nieuwe socialistische regering van José Luis Rodríguez Zapatero maar er kwamen ook fundamentele problemen aan het licht. Enkele van deze problemen waren de snelle groei van het handels deficit dat in 2008 ongeveer een tekort van 10 % vertoonde. Een ander probleem was het verlies aan competitiviteit door de hoge inflatie die hoger lag dan Spanje's Europese partners. Deze inflatie was te wijten aan de groeiende huizen prijzen en de groeiende betalings-problemen van de Spaanse families.

De Spaanse regering voorzag in 2008 een groei van het BBP van 2,3% maar deze groei werd achteraf bijgesteld tot 1,6%. Dit cijfer leek veel beter dan de meeste andere geïndustrialiseerde landen maar dat was niet helemaal correct, door de grote immigratie bleek de groei beperkt te zijn tot 0,8%.

Tijdens het derde kwartaal van 2008 ging het BBP voor de eerste maal sinds 15 jaar in een negatieve groei. Het werd officieel een recessie in februari 2009 zoals in de meeste andere Europese landen.

In juli 2009 voorspelde het IMF een krimp van de Spaanse economie van 4%, wat beter was dan het Europese gemiddelde van 4,6%. Datzelfde IMF voorzag in 2010 een verdere krimp van 0.8% en dat was de slechtste voorspelling van de Europese landen. De voorspelling was achteraf bekeken iet of wat te pessimistisch, de krimp in Spanje was kleiner dan in de andere Europese landen. In het eerste kwartaal van 2010 terug uit zijn recessie.

In 2008 was de totale Spaanse overheidsschuld ten opzichte van het BBP lager dan het Europees gemiddelde.

5. Het Spaanse bank systeem

Het Spaanse bank systeem wordt ondanks de kredietcrisis beschouwd als een van de meest betrouwbare van alle westerse banksystemen. Dit is te danken aan de Spaanse bancaire regels en praktijken. Banken moeten hoge kapitaalsprovisies aanleggen en er moeten voldoende waarborgen zijn van toekomstige ontleners. Dit liet de grote banken zoals de BBVA en de Santander bank toe om de instorting van de woningmarkt te overleven. Integendeel, deze banken hebben andere banken in binnen en buitenland overgenomen.

Maar door de steeds groter wordende crisis op de woningmarkt zijn de kleine spaarbanken "caja" in de problemen gekomen. Zij registreerden hun slechte leningen niet of te laat om te vermijden dat zij in de boeken werden ingeschreven. Naast deze slechte leningen staan uiteraard de woningen waarvoor zij werden aangegaan. Uiteindelijk zullen de ontleners deze schulden moeten voldoen met hun huidige of toekomstige eigendommen.

CCM (Caja Castilla la Mancha), is een van de spaarbanken die zwaar in de problemen kwam en zij werd uiteindelijk overgenomen door de Nationale Bank van Spanje. Een van de investeringen die zijn misgelopen naast de slechte leningen voor de woningmarkt is de financiering van de luchthaven van Ciudad Real. Achteraf werd er geen enkele luchtvaartmaatschappij bereid gevonden om vanaf deze luchthaven te opereren. Dit resulteerde in een financieel fiasco en een verkwisting van land en ruimte. CCM was niet de enige spaarbank die in de problemen kwam, op 22 mei 2010 nam de Nationale Bank de CajaSur over en de CAM werd overgenomen door een private bank voor een symbolische prijs van € 1.

6. De Euro kredietcrisis van 2010

In de eerste weken van 2010 kwam er terug onrust op de financiële markten door de hoogte van de schulden van sommige Europese landen. De landen die in de problemen kwamen waren Griekenland, Ierland, Portugal en in mindere mate Spanje en Italië.

Een groot aantal economen bevolen een batterij van aanbevelingen aan om de openbare schuld te verkleinen en dat kwam voornamelijk neer op besparingen in de uitgaven en hogere belastingen.

In het begin van 2010 was de Spaanse openbare schuld per hoofd van de bevolking kleiner dan de Britse, Franse of Duitse schuld. Echter volgens commentatoren was het Spaanse herstel fragiel en de openbare schuld nam snel toe, de lokale spaarbanken hadden veel nieuwe financiële middelen nodig door hun slechte leningen, de voorspelde groei was aan de lage kant en de nationale overheid had geen controle over de regionale overheden. Daardoor moest de nationale regering steun zoeken bij de regionale regeringen om besparingen te realiseren.

7. De crisis van de werkgelegenheid

De werkgelegenheid was lange tijd een zwakte in de Spaanse economie maar in de jaren 1990 tot half 2000 waren er grote verbeteringen. In sommige regio's was er zelfs een volledige tewerkstelling Maar vanaf het einde van 2008 kwam de terugval, de werkloosheidscijfers stegen terug tot dezelfde hoogte als in 1996. Tijdens de periode oktober 2007- oktober 2008 steeg de werkloosheid met 37%. Spanje leed onder de grootste Europese stijging van de werkloosheid.

In juli 2009 verdwenen er 1,2 miljoen jobs en men had in Spanje hetzelfde aantal werklozen als in Frankrijk en Italië. De werkloosheid steeg tot 17,4%. Deze stijging was bijna helemaal terug te brengen tot de in elkaar stortende bouwsector.

Spanje had voor de eerste maal in de geschiedenis meer dan 4.000.000 werklozen. Ondanks de tragere immigratie liep de werkloosheid snel op en in 2009 begonnen de eerste immigranten te vertrekken alhoewel een groot aantal verkoos om door de slechte levensomstandigheden in hun thuisland in Spanje te blijven.

8. Prijzen

Door het ontbreken van eigen grondstoffen moet Spanje al zijn fossiele brandstoffen invoeren. In een scenario van hoge prijsstijgingen betekend dit dat er een grote druk op de inflatie wordt uitgeoefend. In juni 2008 bereikte de inflatie een record van 5,00 %. Door de grote prijsstijging van de olieprijzen aangevuld met het uiteenspatten van de vastgoed zeepbel moest men opletten dat Spanje niet in een deflatie zou terecht komen. Spanje had in januari 2009 de laagste inflatie in 40 jaar en dat werd kort daarna, in maart 2009, gevolgd door een deflatie en dat was de eerste maal sinds er statistieken werden bijgehouden.

9. Economische banden

Sinds de jaren 90 bereikten een aantal Spaanse bedrijven de status van multinational. Zij breidden hun activiteiten vooral naar Latijns Amerika uit dat cultureel (taal) met Spanje verbonden is. Spanje staat op de tweede plaats, na de Verenigde Staten, van buitenlandse investeerders.

Spaanse bedrijven trekken ook naar Azië en dan vooral naar China. Deze vroege expansie naar Azië geeft een voordeel op andere concurrenten en Europese buren.

Spaanse bedrijven leiden op terreinen zoals hernieuwbare energie (Iberdrola is de grootste leverancier van hernieuwbare energie ter wereld), technologie met bedrijven zoals Telefónica, Abengoa, Movistar, Gamesa, Indra, fabrikanten van treinen zoals CAF, Talgo, petroleumbedrijven zoals Repsol en infrastructuur (zes van de grootste internationale infrastructuur bedrijven gespecialiseerd in transport zijn Spaanse bedrijven zoals Ferrovial, Acciona, ACS, OHL en FCC.

10. Een groeiende export

Volgens cijfers van het Ministerie van Industrie is met een groei in de verkoop van 17,4% tot 185.799 miljoen euro de exportsector hersteld tot op zijn niveau van voor de crisis.

Met een bijdrage aan het BBP van 1,1% is de exportsector een stabiele factor in de Spaanse economie. De verbetering van de export liet toe dat het handelstekort door de stijgende brandstofprijzen niet verslechterde. In 2011 was Spanje volgens cijfers van de OESO een van de weinige landen met een groeiende export. Deze internationale organisatie plaatst Spanje op de vijfde plaats in de rangschikking met een geschatte export van 9,9 %.

Spanje komt daarmee juist na Duitsland en Slovakije die hun export zien stijgen met 10,4%.

De voornaamste landen waarnaar Spanje in 2003 exporteerde zijn:

Frankrijk 19,3 %
Duitsland 11,4 %
Portugal 9,4 %
Verenigd Koninkrijk 8,5 %
Italië 8,4 %
Verenigde Staten 4,0 %
Nederland 3,1 %
België 2,8 %
Andere landen 33,1 %

11. Economische sectoren

a. Toerisme

Tijdens de laatste veertig jaar is de Spaanse toeristische sector uitgegroeid tot een van de grootste ter wereld. Hij was in 2006 40 miljard euro waard en dat was ongeveer 5,5 % van het BBP. De totale waarde van het binnen en buitenlands toerisme komt daarmee op 11 % van het BBP en dat levert werkgelegenheid aan 2 miljoen mensen.

b. Auto industrie

De Spaanse auto industrie is een grote werkgever en hij was in 2009 verantwoordelijk voor 9 % van de werkgelegenheid en voor 3,3 % in het Spaanse BBP. In 2009 stond Spanje in de top tien van de grootste autoproducenten.

Spanje heeft een thuismerk, SEAT dat de grootste bijdrage levert aan de autosector van het land maar daarnaast is er ook Santana Motor. Verder hebben veel internationale bedrijven fabrieken in Spanje Volkswagen, Nissan, Daimler Mercedes-Benz, Ford, Renault, GM/Opel, PSA Peugeot/Citroën, Iveco, Chery etc..

Deze bedrijven werken niet alleen voor de Spaanse markt maar ook voor de internationale markt. Daarmee stond de sector in 2008 op de tweede plaats met een aandeel van 17,6% van de totale Spaanse export.

c. Landbouw

Landbouw was tot ongeveer 1960 de steunpilaar van de Spaanse economie. Tegenwoordig bedraagt de tewerkstelling ongeveer 5 % van de actieve bevolking. De voornaamste producten zijn tarwe, gerst, suikerbieten, mais, aardappelen, rogge, haver, rijst, tomaten en uien. Het land heeft ook nog uitgestrekte wijngaarden, citrusvruchten en olijven.

In 2005 was er een jaarlijkse productie van 14.000.000 ton graanproducten, van 8.300.000 TON gerst, van 4.000.000 ton mais, van 6.700.000 ton suikerbieten en van 2.600.000 ton aardappelen.

De klimaatomstandigheden verplichten het gebruik van bevloeiingssystemen in een groot deel van Spanje.

De provincies aan de kust van de Middellandse Zee gebruiken bevloeiingssystemen. Deze kust stroken waren vroeger dor en schraal en zijn nu bij de productiefste van Spanje. Veel van de teelten gebeuren er onder plastiek.

In de vallei van de Ebro zijn er landbouwprojecten gecombineerd bevloeiing/hydro-elektriciteit. De bevloeiing van kleine oppervlaktes gebeurt meer in de moestuinen in Murcia en in Valencia.

d. Veeteelt

Vooral de schapen- en varkens kweek hebben een grote economische invloed . In 2005 waren er 22.700.000 varkens, 25.100.000 schapen, 6.500.000 runderen, 3.000.000 geiten en 131.000.000 pluimvee in Spanje. Tevens is er een productie van 32.000.000 kilo honing.

e. Bosbouw en visvangst

Kurk is het voornaamste bosbouw product in Spanje. In 2001 was er een productie van 57.851 ton. De productie van houtpulp en hout is onvoldoende voor de eigen noodwendigheden van het land.

De visindustrie is hoe langer hoe meer minder belangrijk voor de Spaanse industrie. De Europese richtlijnen laten nog enkel vangsten toe door middel van quota.

Viskweek wordt wel belangrijker, men kweekt nu al dorada, zeebaars, mosselen, forel en zalm. De totale productie was 311.287 ton in 2003..

f. Mijnbouw

De mijnbouw in Spanje is gekenmerkt door een geleidelijke vermindering van het delven van steenkool, een zekere stilstand in het delven van ijzererts en een vermeerdering van het delven van mineralen en gesteente.

g. Wetenschap en technologie

Spanje is goed uitgerust met technologische en industriële infrastructuur. Tijdens de laatste jaren werden er meerdere technologie en industriële parken ingericht, dikwijls in samenwerking met Universiteiten en Centra voor Onderzoek en Ontwikkeling. Momenteel zijn er 41 zulke parken met 1.080 bedrijven, 108 Centra voor Onderzoek en Ontwikkeling.

Voor het nieuwe Nationaal Plan voor Onderzoek en Ontwikkeling (2004-2007) is een bedrag uitgetrokken van 1,4 % van het BNP.

h. Woningen

In Spanje is er een woning park van 24.677.227 woningen op het einde van 2006. 85 % van de woningen is eigendom en er rest dus slechts 15 % voor verhuur.