Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

De Spaanse film


  1. Algemeen
  2. Geschiedenis van de Spaanse film
  3. Prijzen
  4. Festivals
  5. Genres in de Spaanse film
  6. Tien onvergetelijke en essentiële Spaanse films

1. Algemeen

Doorheen de geschiedenis is de Spaanse cinema er in geslaagd om belangrijke figuren voort te brengen en de belangrijkste twee zijn zeker Luis Buñuel en Pedro Almodóvar.



Pedro Almodovar

Luis Buñuel heeft een grote invloed gehad en dan vooral in Europa en in Latijns-Amerika. Maar daarnaast zijn er ook nog Segundo de Chomón, Florián Rey, Juan Antonio Bardem, Luis García Berlanga, Carlos Saura, Jesús Franco, Antonio Isasi-Isasmendi, Mario Camus, José Luis Garci en Alejandro Amenábar.

Naast de regisseurs zijn er nog de artistiek directeur Gil Parrondo, winnaar van twee Oscars in Hollywood en de directeur fotografie Néstor Almendros (hij heeft zijn ganse loopbaan opgebouwd buiten Spanje). Daarnaast zijn er de acteurs Fernando Rey, Francisco Rabal, Fernando Fernán Gómez, Antonio Banderas, Sergi López, Javier Bardem en de actrices Sara Montiel, Ángela Molina, Victoria Abril, Carmen Maura, Maribel Verdú en de bekendste actrice Penélope Cruz.

2. Geschiedenis van de Spaanse film

Het begin


De eerste cinematografische voorstellingen in Spanje gebeurden in Madrid in mei 1896. Deze eerste voorstelling was op 12 mei en werd gegeven door de Hongaar, Edwin Rousby. Hij presenteerde in het circus Parish op de plaza del Rey het Animatógrafo, een systeem dat ook bekend staat als Teatrograph en het is afgeleid van de Kinetoscoop van Edison.

Maar slechts twee dagen later, op 13 mei, kan men de beelden van Cinematograaf Lumière bekijken en die werden vertoond door Jean Busseret die de gebroeders Lumiêre vertegenwoordigde.

Sinds 1896 waren er veel mensen, zowel buitenlanders als Spanjaarden actief in Spanje met de nieuwe uitvinding en daaronder waren: Charles Kalb, Eduardo Moreno, Eduardo Gimeno, Antonio de la Rosa, Juan Minuesa, Alexandre de Azevedo, Joseph Sellier...

Aan Alexandre Promio hebben we de eerste films te danken die in Spanje gedraaid werden en hij werd gevolgd door andere buitenlanders zoals William Harry Short, Alexandre de Azevedo.

De eerste Spanjaarden die in 1897 films draaiden waren Eduardo Moreno en Joseph Sellier. Aan deze laatste danken we de verdwenen film uit juni 1897 “El Entierro del General Sánchez Bregua”.  Eduardo Gimeno, nog een belangrijke pionier, begon eerst films te draaien in 1899. Van hem zijn “Salida de la misa de doce de la Iglesia del Pilar de Zaragoza” en “Los saludos”.

De eerste Spaanse regisseur die ook internationaal werkte was Segundo de Chomón, hij werkte in Frankrijk en Italië.

De opkomst van de stomme film


In 1914 is Barcelona het centrum van de Spaanse filmindustrie. Het is het begin van de dominantie van wat men noemt de «españoladas», een filmgenre waarin men het “Spaans zijn” sterk in de verf zet en deze periode duurt tot in de jaren 80 van de vorige eeuw.

We onderscheiden hier Florián Rey met Imperio Argentina en Ricardo Núñez en de eerste versie van Nobleza baturra (1925).

In 1928 stichtten Ernesto Giménez Caballero en Luis Beluga in Madrid de eerste filmclub. Ondertussen was Madrid het belangrijkste filmcentrum in het land geworden. Ditzelfde jaar draaide Francisco Elías Riquelme de eerste Spaanse geluidsfilm, El misterio de la Puerta del Sol.

Het landelijk drama La aldea maldita uit 1930 van Florián Rey werd vertoond in Paríjs waar op hetzelfde moment Buñuel en Dalí in première gingen met Un perro andaluz.

De crisis van de geluidsfilm en de film tijdens de Tweede Republiek


In 1931 kwam er dan de opkomst van de buitenlandse producties en daardoor stortte de nationale filmproductie totaal in, er werden slechts 4 films gedraaid.

Het volgende jaar stichtte Manuel Casanova de Compañía Industrial Film Española S.A. (CIFESA). Dat is nog altijd de belangrijkste producent die in Spanje actief was en hijzelf werd als politiek rechts beschouwd. Zij draaiden toen 6 films waaronder de eerste Spaanse film van Luis Buñuel, de documentaire Las Hurdes, tierra sin pan.

In 1933 hadden ze al 17 films gedraaid (4 in 1931, 6 in 1932 en 7 in 1933) en in 1934 werden er 21 gemaakt. Daarbij was de eerste succesfilm van Florián Rey, La hermana San Sulpicio.

De productie van films gaan ook in 1935 verder in stijgende lijn met 24 films. In deze jaren maakte men ook een aantal films die door de bevolking goed onthaald werden. Daarbij waren Benito Perojo met El negro que tenía el alma blanca (1934) en La verbena de la Paloma (1935). Deze laatste film was in deze periode het grootste succes in Spanje. Florián Rey draaide in deze periode La hermana San Sulpicio (1934), Nobleza baturra (1935) en Morena Clara (1936).

Maar dan kwam de Spaanse burgeroorlog en alle inspanningen van de Tweede Republiek werden stopgezet.

De Burgeroorlog en de naoorlogse periode

Vanaf 1936 gebruikten de twee strijdende partijen films als propagandamateriaal. De groep rond Franco richtte toen al het Departamento Nacional de Cinematografía op. Na het beëindigen van de oorlog vertrokken veel filmmakers in ballingschap.

Tijdens de Franco periode kwam er censuur en zo verplichtte men de filmmakers om alle films te doubleren in het Castiliaans, ongeacht in welk landsdeel de film gemaakt werd. Regisseurs die tijdens de beginperiode van het nieuwe regime werkten waren Ignacio F. Iquino (El difunto es un vivo, 1941), Rafael Gil (Huella de luz, 1941), Juan de Orduña (Locura de amor, 1948), Arturo Román, José Luis Sáenz de Heredia (Raza, 1942, naar een script van Franco).

CIFESA probeert als meest rendabele producent de goedkeuring te krijgen van het nieuwe regime om verder te werken en zij draaien vooral historische films over belangrijke figuren uit het verleden.

In de jaren 50 van de vorige eeuw werden er in Spanje twee belangrijke filmfestivals geboren. Op 21 september 1953 was er het Festival de Cine de San Sebastián en dat wordt tot op heden zonder onderbreking ingericht. In 1956 kwam er dan nog de Semana Internacional de Cine in Valladolid bij.

Ondertussen kwam er in 1955 ook een film van Ladislao Vajda, Marcelino pan y vino die er in slaagde om internationaal door te breken. Hij kreeg op het filmfestival van Berlijn de Zilveren Beer voor de beste regisseur.

Buñuel komt zo nu en dan naar Spanje terug en hij draait hier Viridiana (1961) en Tristana (1970). Deze film is gebaseerd op het boek van Benito Pérez Galdós en de acteurs in de film zijn Catherine Deneuve en Fernando Rey.



Fernando Rey

Beide films, en dan vooral de eerste, veroorzaakten een schandaal in de repressieve context van tijdens de Franco dictatuur.

De nieuwe Spaanse film

In 1962 keerde José María García Escudero terug naar het Dirección General de Cine en daar gaf hij staatshulp aan de Escuela Oficial de Cine waar de nieuwe regisseurs werden opgeleid.

De meesten van hen hadden wel linkse sympathieën en waren dus opposanten van het Franco regime. Onder deze regisseurs vinden we Mario Camus (Young Sánchez, 1964), Miguel Picazo (La tía Tula, 1964), Francisco Regueiro (El buen amor, 1963), Manuel Summers (Del rosa al amarillo, 1963) en Carlos Saura (La caza, 1965).

Van de televisie kwam Jaime de Armiñán, de maker van Mi querida señorita (1971) en Jo, papá (1975). Uit de zogenaamde «School van Barcelona», die oorspronkelijk meer experimenteel en kosmopolitisch was, kwamen er Vicente Aranda, Jaime Camino en Gonzalo Suárez.

De film en de democratie


Met het einde van de dictatuur en het opheffen van de censuur werden er ook films toegelaten in andere talen en was er de oprichting van het Catalaans Filminstituut, Institut de Cinema Català.

In het begin waren er de twee populaire genres, “destape” (films met frontaal naakt) en “landismo” (films met erotische humor). In de vroege jaren van de democratie werden er controversiële kwesties aangepakt en kwamen er films over de recente geschiedenis. Onder deze films waren er die een onmiskenbare kwaliteit hadden zoals Canciones para después de una guerra (Basilio Martín Patino, 1976) en El espíritu de la colmena (Víctor Erice, 1973).

Politieke veranderingen tijdens deze jaren weerspiegelden zich direct in films zoals Camada negra van Manuel Gutiérrez Aragón, Tigres de papel van Fernando Colomo en een minder militante maar populairdere film, Asignatura pendiente van José Luis Garci. Deze laatste is in 1982 winnaar van de eerste Spaanse Oscar met Volver a empezar.

Op dit zelfde moment kwam dan ook de “nieuwe Baskische film” in de belangstelling en die leverde regisseurs zoals Montxo Armendáriz, Juanma Bajo Ulloa en Imanol Uribe op. Deze laatste maakte de film La muerte de Mikel (1984), met in de hoofdrol Imanol Arias, en die trok meer dan een miljoen kijkers.

Ook in die jaren kwamen de kijkers naar de zalen voor het zogenaamde genre «comedia madrileña» met regisseurs zoals Fernando Colomo, de classicus Fernando Trueba, de zwarte humor van Álex de la Iglesia en het verfijnde melodrama van Pedro Almodóvar.

3. Prijzen

In 1987 kwamen er dan voor de Spaanse film de prijs Goya naar een evenbeeld van de Oscars. In 2013 was er dan nog de prijs Feroz en dat was naar een voorbeeld van Gouden Globes.



Premio Goya

Dan zijn er ook nog de prijzen die uitgereikt worden op de voornaamste filmfestivals, het Internationaal Filmfestival van San Sebastián en de Internationale Filmweek van Valladolid.

4. Festivals

In Spanje is er de laatste jaren een boom aan festivals die gewijd zijn aan alle genres van de filmindustrie. Veel van die festivals bestaan al langer zoals het Festival Internacional de Cine de San Sebastián en la Seminci of het Festival de Cine de Gijón. Dan zijn er nog andere en meer gespecialiseerde festivals zoals het Festival de Málaga, Animadrid, Festival Punto de Vista, Docúpolis en het Festival de Cine de Comedia de Peñíscola.

Het Festival de Cine de Sitges, momenteel bekend als Festival Internacional de Cinema de Cataluña, werd opgericht in 1967 en het wordt beschouwd als het belangrijkste festival voor de fantastische film.

Het belangrijkste festival voor de vernieuwing en de vertoning van de Spaanse film is het Festival Internacional de Cine de San Sebastián. Dit festival werd on 1953 door lokale bedrijven als een publicitair platform voor de stad opgericht. Dit festival is het enige Spaanse festival van de hoogste categorie dat erkend is door de FIAPF. In de meer dan zestig jaar van zijn bestaan is dit festival uitgegroeid tot een van de belangrijkste filmfestivals van de wereld.

De Seminci, Semana Internacional de Cine de Valladolid, werd opgericht in 1956 als «Semana de cine religioso de Valladolid» en het festival gaat door tijdens de Semana Santa. Dit festival evolueerde tot een van de belangrijkste filmfestivals van Spanje. Gedurende jaren groeide het festival van San Sebastián uit tot een festival vol van glamour en bekende namen en Seminci ging de richting uit van het vertonen van interessante onafhankelijke films, ongeacht of ze al vertoond werden op andere festivals.

Maar in 2006, met de verandering van het bestuur, ging men een nieuwe richting uit. Men koos nu voor premières, nieuwe films die nog niet te zien waren op andere festivals.

Het Festival de Cine de Gijón is een van de oudere filmfestivals dat de laatste jaren een revival had door zijn omschakeling naar de hedendaagse en experimentele film. Zij waren er al retrospectieven van Abbas Kiarostami, Aki Kaurismäki, Todd Haynes, Pedro Costa, Paul Schrader, Hal Hartley, Lukas Moodysson, Tsai Ming-liang, Claire Denis en Todd Solondz.

5. Genres in de Spaanse film

Voor hun bijzonderheden en gebaseerd op de folklore, de traditie en de gewoontes in het dagelijks leven zijn er een aantal genres ontstaan die een weergave hebben op de maatschappij, de geschiedenis en de typisch Spaanse gewoontes.

Historische films

Dit genre vertelt over grote daden uit de geschiedenis of hij toont het dagelijkse leven uit vervlogen tijden. We onderscheiden wel enkele subgenres.

Koloniaal verleden


Een terugblik op het koloniaal verleden met de ontdekking van Amerika als belangrijkste inspiratiebron. Zo is er Alba de América (1951) en dan zijn er nog de superproducties ter herdenking van de vijfhonderdste verjaardag van de ontdekking van Amerika: 1492, la conquista del Paraíso en Cristóbal Colón (Christoffel Columbus) met de internationale acteurs Gérard Depardieu en Marlon Brando.

Binnen dit genre is er dan nog El Dorado uit 1988 van Carlos Saura die op het moment van zijn verschijnen de duurste Spaanse film was. El Dorado was de tegenhanger van de Duitse film van Werner Herzog, Aguirre, la cólera de Dios, die een terugblik was op het leven van Lope de Aguirre.

De onafhankelijkheidsoorlog

Van een aantal periodes uit de Onafhankelijkheidsoorlog zijn films gemaakt, sommige zijn historisch en andere zijn fictie maar geïnspireerd door die periode. In dit genre zien we onder andere Agustina de Aragón uit 1950 van Juan de Orduña en dat is een verfilming van de legende van een heldin uit Aragon. Dan zijn er ook nog Lola la Piconera uit 1951 van Luis Lucia, Los guerrilleros uit 1962 van Pedro L. Ramírez en La leyenda del tambor uit 1981 van Jorge Grau.

Bandieten films

Zij behandelen vooral het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw en zij beschrijven de activiteiten van de opstandelingen die tegen de Fransen vochten. Verder zijn er nog de echte bandieten zoals we ze kennen uit de Amerikaanse westerns. De belangrijkste film in dit genre is Amanecer en puerta oscura uit 1957 van José María Forqué. Deze film won de Zilveren Beer op het Filmfestival van Berlijn.

Franco regime

De bekendste films over deze periode zijn Dragon Rapide uit 1986, Libertarias uit 1996, La hora de los valientes uit 1998, Tierra y libertad uit 1995 en Raza uit 1941.

Biografische films

In dit genre zijn er een aantal verfilmingen van het leven van Miguel de Cervantes, El Greco en Francisco de Goya wiens leven de basis was voor een televisiereeks en vijf films waaronder Goya en Burdeos van Carlos Saura.

Films over het stierengevecht

Het stierengevecht is een populair thema in de Spaanse film en het komt in de Spaanse film in een groot aantal gelegenheden aan bod.

Een film die gebaseerd is op een literair werk is bijvoorbeeld Sangre y arena, een goede Hollywood verfilming van het boek van Blasco Ibáñez. Het boek dat een Spaanse verfilming kreeg was Currito de la Cruz van Alejandro Pérez Lugín en dat was nog een film zonder geluid maar er kwamen later drie versies met geluid.

Films zoals Sangre en el ruedo (Rafael Gil, 1969) of Los clarines del miedo (Antonio Román, 1958) tonen de hardheid van het stierenvechten. De eerste film toont de haat en nijd tussen twee rivaliserende stierenvechters en de tweede toont de miserie van een stierenvechter die van dorp tot dorp moet trekken.

Tot slot zijn er de biografische films over succesvolle stierenvechters zoals Aprendiendo a morir (Pedro Lazaga, 1962), die het leven toont van Manuel Benítez "El Cordobés", Nuevo en esta plaza (Pedro Lazaga, 1966) gaat over het leven van Sebastián Palomo Linares.

Religieuze films

Religie heeft tijdens de ganse Spaanse geschiedenis een grote rol gespeeld en dat is ook aan bod gekomen in de Spaanse film. Tijdens de jaren 50 van de vorige eeuw was het zelfs het populairste filmgenre.

Religieuzen

In dit subgenre hebben we vooral Marcelino pan y vino, een film van Ladislao Vajda uit 1954, waarin zowel menselijke als religieuze deugden worden beschreven.

Men toont priesters die geconfronteerd worden met het egoïsme in de maatschappij en met hun vroomheid waarin zij in het leven staan. Een andere bekende film uit deze periode is Balarrasa van José Antonio Nieves Conde uit 1950), die de geschiedenis vertelt van een berouwvolle man die priester wordt.

Het leven van heiligen

Er werden tal van films over heiligenlevens gemaakt en daaronder waren de belangrijkste Isidro, el labrador van Rafael J. Salvia uit 1963, La Señora de Fátima (Rafael Gil, 1951) en vooral Molokai (Luis Lucia, 1959) die de geschiedenis van Damiaan de Veuster beschrijft.

Klassiekers

De klassiekers uit de grote Spaanse literatuur zijn als film niet populair maar ze werden wel gemaakt in de periode van de stomme film.

Een uitzondering is El Quijote waarvan een groot aantal versies werden gemaakt.

Bij het ministerie van Cultuur staan 23 versies vermeld en de oudste versie is Don Quijote van Narciso Cuyas uit 1908. Het vermelden waard zijn dan nog Don Quijote de la Mancha van Rafael Gil uit 1948), de parodie Don Quijote cabalga de nuevo van Roberto Gavaldón uit 1973), een coproductie met Mexico en El caballero Don Quijote van Manuel Gutiérrez Aragón uit 2002.

Een ander onsterfelijk werk uit de Spaanse literatuur, Lazarillo de Tormes, werd ook verfilmd. Een van de versies is van César Fernández Ardavín uit 1959 en die film won de Gouden Beer op het filmfestival in Berlijn.

Van Don Juan, de universele veroveraar bij uitstek, zijn tal van verfilmingen gemaakt en zo zijn er de versies van Del Don Juan de Zorrilla, van René Cardona de eerste verfilming als geluidsfilm en dan is er nog de versie van Luis César Amadori, de beroemdste versie uit 1949.

Muziek

De Spaanse musical werd geboren bij het begin van de geluidsfilm en geen enkel land, buiten de Verenigde Staten, had zo een belangrijke productie van muziekfilms.

Het is een filmgenre dat de Iberische identiteit heel goed weergeeft maar toch had de sector sinds de jaren 70 van de vorige eeuw te lijden onder een crisis. De gouden periode voor de Spaanse muziekfilm was tijdens de Tweede Republiek met de regisseur Florián Rey en tijdens de eerste jaren van het Franco regime.

Folkloristische film

Het is een genre dat het meest gekoesterd wordt door de Spaanse filmmakers.

Vanaf de geboorte van de geluidsfilm was het of men wou gebruik maken van de faam van zangers en dansers van dat moment. Chronologisch waren de eerste sterren in dit genre Imperio Argentina, Estrellita Castro en Concha Piquer. Zij domineerden de jaren dertig en het begin van de jaren 40 van de vorige eeuw en de regisseurs waren Florián Rey en Benito Perojo.

Tijdens de jaren 40 werd dit genre gedomineerd door Juanita Reina die een aantal films maakte onder de leiding van Juan de Orduña en Luis Lucia.



Juanita Reina

De jaren 50 waren dan het domein van het duel tussen Lola Flores en Sara Montiel.  Hun hegemonie liep verder in de jaren 60. Lola Flores maakte op het einde van de jaren 40 films zoals Embrujo (Carlos Serrano de Osma, 1947) en zij deed dit met haar partner Manolo Caracol. Ondertussen probeerde Sara Montiel een carrière in de Verenigde Staten uit te bouwen.

Tijdens de jaren 60 en 70 waren vooral Sara Montiel, Lola Flores, Paquita Rico en Marujita Díaz populair. Dit genre, dat praktisch verdwenen was in de jaren 80, kreeg nog een laatste opflakkering aan populariteit en daar waren vooral de films met Isabel Pantoja voor verantwoordelijk. Yo soy esa van Luis Sanz, 1990 trok 1,5 miljoen bezoekers.



Isabel Pantoja

Films met muzikale wonderkinderen

Vanaf het einde van de jaren 50 werden films met kindsterretjes populair en zij ontwikkelden een carrière als zanger en de films dienden om hun populariteit op te drijven.

Het eerste kindsterretje was Joselito die tijdens de jaren 50 dit genre monopoliseerde met films zoals El pequeño ruiseñor (1956) en La saeta del ruiseñor (1957). Zijn carrière stopte toen hij volwassen werd.

Een andere zaak was Marisol, zij zette haar carrière gewoon verder na haar periode als kindsterretje.

Verder waren er nog enkele andere kindsterretjes die er in slaagden om een verdere carrière uit te bouwen en als voorbeeld kunnen we Rocío Durcal en Ana Belén nemen.

Spaanse operettes (zarzuela)


Dit genre is bijna helemaal verlaten door de Spaanse filmmakers. Dit genre was heel populair in de beginperiode van de Spaanse film en dus paradoxaal genoeg was dit in de periode van de stille film.

De eerste films waren Los guapos (Segundo de Chomón, 1910) en La verbena de la Paloma (José Buchs, 1921). Van deze laatste film is er ook een tweede versie uit 1935 en een derde versie uit 1963.

De flamenco in de film

Carlos Saura was de drijvende kracht achter dit genre maar er zijn twee films die een nominatie voor een Oscar gekregen hebben. De twee films, Los Tarantos (1963) y El amor brujo (1967), zijn gemaakt door Francisco Rovira Beleta. Een derde film, Montoyas y Tarantos (Vicente Escrivá, 1989) viel nipt naast een nominatie.

Carlos Saura, in samenwerking met de danser Antonio Gades, maakte films zoals Bodas de sangre (1981), Carmen (1983) en een nieuwe versie van El amor brujo (1986). Daarna volgden nog Sevillanas (1992), Flamenco (1995) en Salomé (2002).

Overige muziekfilms

Populaire zangers van het moment zoals Raphael, Los Bravos, Julio Iglesias en Hombres G maakten van hun populariteit gebruik om een korte acteurscarrière te hebben en ze gebruikten deze films enkel voor hun eigen promotie.

Er waren wel enkele uitzonderingen zoals Manolo Escobar die meewerkte aan meer dan twintig films en Luis Mariano die met zijn stem schitterde in de operettes Violetas imperiales (Richard Pottier, 1952) en in El sueño de Andalucía (Luis Lucia, 1953).

Peplum en Spaghetti Western

Films in dit genre werden in meerderheid in samenwerking met de Italiaanse film gemaakt. In het peplum genre (zogenaamde sandalen films die zich afspelen in het oude Rome of in het oude Griekenland) onderscheiden we Los últimos días de Pompeya (Mario Bonnard, 1960) en El coloso de Rodas (Sergio Leone, 1961), maar de superproductie in dit genre is La caída del Imperio Romano (Anthony Mann, 1964) waaraan Sofia Loren, James Mason en Alec Guinness meewerkten.

De meeste spaghetti westerns werden hier in de woestijn van Almería opgenomen omdat dat gebied een replica was van Arizona. De meerderheid van de filmmakers in dit genre waren Italianen maar er waren ook Spanjaarden actief zoals de gebroeders Alfonso Balcázar en Jaime Jesús Balcázar, de gebroeders Rafael Romero Marchent en Joaquín Luis Romero Marchent, Julio Buchs en Ignacio F. Iquino.

Het landismo

De acteur Alfredo Landa gaf zijn naam aan dit filmgenre en dat is de Spaanse komedie. Landa werkte dikwijls samen met José Luis López Vázquez, en hij speelde in tal van films de Spaanse macho, een typische Spanjaard uit die periode, bruingebrand, geobsedeerd door vrouwen en met een onderdrukte seksualiteit.

Het is een soort low budget komedie, puur vrijblijvend en niet populair bij de critici maar wel bij de bevolking. De populairste film in dit genre was No desearás al vecino del quinto (Ramón Fernández, 1970) en daar kwamen meer dan 4.300.000 kijkers op af, een van de grootste aantallen uit de geschiedenis van de Spaanse film.

Toeristische films

Een filmgenre dat populair was in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw was de toeristische film, een echt promotiemiddel voor de Spaanse stranden.

Hier vinden we titels zoals Amor a la española (Fernando Merino, 1966), El turismo es un gran invento (Pedro Lazaga, 1968) en Fin de semana al desnudo (Mariano Ozores, 1974).

De destape (bevrijding van taboes)

Het Franco regime duwde de Spanjaarden in een sterke seksuele repressie. Het einde van deze repressie betekende de ontwikkeling van een genre film dat absoluut commercieel en sterk macho gericht was en waarin zonder taboes naakt en dan vooral vrouwelijk naakt getoond werd.

Het is een feit dat erotische en zelfs pornografische films in de zeventiger jaren op het hoogtepunt van hun populariteit stonden. In Spanje kwamen dan ook de pornochanchada (porno en comedie) uit Brazilië, de cine de ficheras (porno en comedie) uit Mexico en de humoristisch erotische films uit Italiê en Duitslland.

Tijdens de laatste jaren van de dictatuur werden er al enkele van deze films gedraaid en zo zijn er El monumento (José María Forqué, 1970) Lo verde empieza en los Pirineos (Vicente Escrivá, 1973) en Doctor me gustan los mujeres ¿Es grave? (Ramón Fernández, 1973).

Vanaf het begin van 1977 kwam de nationale productie dan op gang met films met een duidelijke titel, Deseo carnal (Manuel Iglesias, 1978), L´orgia (Francesc Bellmunt, 1978) o Atraco a sexo armado (Vincenzo Savino, 1981).

A La trastienda (Jorge Grau, 1978) en de hoofdrolspeelster María José Cantudo geniet de eer om als eerste in de geschiedenis van de Spaanse film een volledig vrouwelijk naakt te tonen. Haar optreden was aantrekkelijk genoeg om het optreden nog eens over te doen in tal van zalen doorheen het ganse land en die trokken meer dan 2,5 miljoen toeschouwers.

Een aantal actrices zoals Andrea Albani, Bárbara Rey, de al vermelde María José Cantudo, Nadiuska, Ágata Lys Blanca Estrada en Eva Lyberten maakten een specialiteit van dit genre maar met het verdwijnen van het genre verdween ook de populariteit van de actrices.

In het begin van de jaren 80 verloor het publiek dan zijn interesse voor dit genre en verdween het ook snel uit het oog.

Horrorfilms

Hoewel Alejandro Amenábar met zijn film Los otros de belangrijkste en de meest succesvolle horrorfilm had mag men niet vergeten dat er vooral op het einde van de jaren 60 tal van low budget films in dit genre gemaakt werden.

In dit genre waren vooral filmmakers als Carlos Aured, Jesús Franco, León Klimovsky, Amando de Ossorio, Enrique López Eguiluz en Jacinto Molina actief.

.Daarnaast was er nog Sería Jacinto Molina die onder het pseudoniem Paul Naschy werkte. Onder zijn regie werden de films "La marca del hombre lobo", La noche de Walpurgis gemaakt.

Ontwortelden

Dit genre heeft een groot belang voor de Spaanse film en het genre weerspiegelt het donkerste en beklagenswaardige deel van de Spaanse maatschappij.

De rode draad ligt dikwijls in de traditie van de schelmenroman. In het begin speelde de film zich dikwijls af als een komische film en het eerste meesterwerk was dan ook Los tramposos van Pedro Lazaga uit 1959.

In 1974 was er dan La Madrina van Mariano Ozores en deze film maakte een einde aan de komische inslag in het genre en de toon werden veel groffer. Het genre werd pas goed ontwikkeld in het begin van de jaren 70 toen Carlos Saura zijn eerste film, Los golfos uitbracht. In 1990 verscheen dan Dispara, de laatste Spaanse film van Antonio Banderas.

De regisseur José Antonio de la Loma was dan de echte vernieuwer in het genre toen hij het leven verfilmde van de beruchtte jeugddelinquent Vaquilla. Hij maakte in de film gebruik van niet professionele acteurs.

In de jaren 80 maakte Eloy de la Iglesia zijn eigen saga met El pico en El pico 2 waarin men de kijker onderdompelde in de wereld van de heroïneverslaafden.

Daarna kwamen Colegas en Navajeros en La estanquera de Vallecas. In alle films was de hoofdrol weggelegd voor José Luis Manzano die uiteindelijk een tragisch einde kende zoals de personages die hij vertolkte.

Binnen dit genre is er dan nog Montxo Armendáriz met twee films, 27 horas, over de wereld van de drugs en Historias del Kronen, een verfilming van een novelle van José Ángel Mañas.

Maar het is tijdens de laatste jaren dat het genre zijn grootste populariteit kende met Barrio van Fernando León de Aranoa, El Bola, van Achero Mañas en Siete vírgenes van Alberto Rodríguez.

Legerfilms

Dit genre was zeer populair tijdens het Franco regime en het waren films waarin het patriottisme werd verheerlijkt. De eerste verfilming kwam er in 1948 met Botón de ancla van Ramón Torrado.

Van deze film werden er later nog twee versies gemaakt en die kwamen er in de jaren 60 en de jaren 70. Volgend op deze film kwam er dan La trinca del aire en Héroes del aire van diezelfde Torrado.

Sportfilms

Met enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld La vieja música van de regisseur Mario Camus, over het basketbal en de officiële film van de Olympische Spelen in Barcelona uit 1992 gaat de meerderheid van de Spaanse sportfilms over het voetbal.

De eerste film over het voetbal kwam er al in 1943 en dat was !Campeones!, van Ramón Torrado. Als onderwerp waren het de toenmalige legendes uit het Spaanse voetbal, Ricardo Zamora, Guillermo Gorostiza, Jacinto Quincoces en anderen.

In de jaren 90 kwam er een komedie Matías, juez de línea. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw was er dan de film van Gonzalo Suárez, El portero. Verder is er een tragikomedie, Días de fútbol van David Serrano en El penalti más largo del mundo van Roberto Santiago.

6. Tien onvergetelijke en essentiële Spaanse films

Zo kunnen er lijstjes gemaakt worden van goede, mooie, waardevolle....... Spaanse films en een van die lijstjes is die van IndebioscoopTien onvergetelijke en essentiële Spaanse films.