Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!

De oude stad Cuenca

  1. Algemeen
  2. Prehistorie en de oudheid
  3. De Middeleeuwen
  4. Moderne tijd 
  5. Interessante plaatsen
  6. Website

1. Algemeen

Cuenca is een van de meest middeleeuwse steden van Spanje gebleven en de stad werd daarom opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed. Cuenca ligt op een rotsplateau tussen de rivieren Júcar en de Huécar.


Overzicht van de stad en de rivier de Júcar

2. Prehistorie en de oudheid

De geschiedenis van Cuenca is voor een groot gedeelte beschreven door Estrabón, Plinio en Ptolomeo. Zij hebben ons geïnformeerd over de eerste inwoners van deze regio, de bevolking hier uit de streek noemde men Olcades.

Sinds de Ijzertijd bevinden zich hier nederzettingen en burchten doorheen de provincie (Urbicua, Cartala Egelasta, Contrebia, Belgida, Caraca, Alaba, Condabora, Istonium, Libana, Urcesa, Segóbriga, Ercávica, Valeria...) maar uit niets blijkt dat er op de ligging van Cuenca een nederzetting was. De dichtstbijzijnde nederzetting was Bursada vanwaar Hannibal gedeporteerd werd naar Noord-Afrika.

3. De Middeleeuwen

Alhoewel de stichting van de stad onduidelijk is bestond er in 784 een stad Kunka. Deze bloeide op doordat men ze uitbouwde tot een versterkte stad die volledig gebruik maakte van de natuurlijke verdedigingsmiddelen. Het was een machtsbasis van de familie Banu Di-l-Nun wiens macht gecentraliseerd was in deze kura (administratiebe regio) met de naam Santabariya.

Zij bouwden een plaats afhankelijk van het kalifaat van Cordoba in de meest pure Andalusische stijl met een kasteel op een verhoogde plaats, een wijk in de stad met zijn moskee waar nu de kathedraal staat en een citadel die allen van elkaar gescheiden zijn door greppels uitgehakt in de rots en met versterkte muren.

In de riviermond van de Huécar bouwden zij een grote vijver om de defensie van de stad te verstevigen.

De eerste militaire gouverneur was Sulayman ben Utman.  Hiij werd vermoord in 768 door het hoofd van de school Sakya ibn Abd al-Wahid. Deze kondigde de rebellie af tegen de Omjaden van Abd al-Rhahman I.

Hilal al-Madyuni werd dan tot de volgende gouverneur benoemd in 772. De emir Muhammad I benoemde dan als gouvernuer Sulayman ben Tawril, die stierf in 887. Zijn zoon Musa veroverde samen met een leger van 20.000 man Toledo en hij blijft onafhankelijk tot aan zijn dood in 908.

Zijn kleinzoon Yahyá werd gouverneur en heer van Uclés tot in 933. Zijn zoon Fath bleef in functie tot 936 en hij werd dan beroofd van het gebied van Uclés maar als comensatie werd hij gouverneur van Madrid.

Abd al-Rahman al-Midras genoot het vertrouwen van al-Mansur en hij kreeg van de kalief de eretitel van “Nasir al-Dawla”. Hij was de architect van de inhuldiging in Toledo van zijn zoon Ismael al-Zafir in 1025.

Zijn zoon Al-Mamún de Toledo maakte van Toledo het meest uitgebreide en het meest ontwikkelde van de taifa koninkrijken van Valencia en Córdoba. Hij stierf in 1075.

Zijn zoon Ismaíl diende Cuenca als prins vanaf 1049.

In 1076 kwam de Aragonees Sancho Ramírez in de buurt van Cuenca maar hij kon de stad niet innemen.

In 1080 verliest Yahyá Al-Qádir Toledo en hij zoekt toevlucht in Cuenca. Hier zal men dan het Verdrag van Cuenca afsluiten met Alfonso VI. Deze koning ontvangt Zorita en andere kastelen in ruil voor militaire hulp.

In 1088 maakt de militaire leider van Cuenca ben Zennun een verdrag met de koning van Zaragoza, Al-Musta'in II. Hij geeft het fort van Segorbe op in ruil voor militaire steun tegen de omsingeling in Valencia als gevolg van de nederlaag van Alfonso VI in Sagrajas.

De koning van Sevilla Al-Mu'tamid maakt van deze gelegenheid gebruik om zich meester te maken van Cuenca maar als de Almoraviden in 1091 Sevilla aanvallen stuurt Al-Mu'tamid zijn schoondochter, de prinses Zaida, om hulp te vragen aan Alfonso, koning van Leon. De koning krijgt in ruil voor de hulp Cuenca en andere plaatsen. In 1093 komt een detachement christelijke troepen de koning van Sevilla ondersteunen.

In de omgeving van Cuenca werd Álvar Fáñez in de zomer van 1098 door de Almoraviden generaal Ben Aisa verslagen.

In 1108 komt Cuenca onder de controle van de Almoraviden en in 1144 komt de caid Abu Muhammad Abd Allah ben Fetah, al Tagri in opstand en in het volgende jaar en op 15 mei is Murcia onafhankelijk.

In 1147 werd Muhammad ben Abd Allah ibn Said ben Mardanís, bijgenaamd Rey Lobo of Ben Lope, uitgeroepen tot koning van Cuenca, Murcia, Valencia en de rest van het oostelijk deel van het schiereiland en hij moest het hoofd bieden aan de Almohaden tot aan zijn dood op 8 maart 1172. Voor zijn dood gaf hij de aan zijn zoon de raad om een verbond te smeden met deze integristen.

Alfonso VIII ging na een beleg van 5 maanden door de kalief Abu Yaqub Yusuf in ballingschap.

De kalief Yucub, de filosoof Averroes, de historicus Sahib al-Sala (die een gedetailleerde beschrijving maakte van Cuenca) en andere notabelen van de Almohaden betraden dan de stad en zij hielpen de onderdrukten.  Abu Yacub Yusuf en Alfonso VIII tekenden een verdrag voor 7 jaar maar in de zomer van 1176 plunderden een deel van de Almohaden de christelijke gebieden van Huete en Uclés en daardoor verbraken zij het verdrag.

Alfonso VIII roept de bevolking van Almoguera, Ávila, Atienza, Segovia, Molina, Zamora, La Transierra op om samen met de heer van Albarracín, Pedro Ruiz de Azagra, de graaf Nuño Pérez de Lara , Pedro Gutiérrez, Álvar Fáñez, Tello Pérez, Nuño Sánchez, de koning van León, Fernando, de koning van Aragón Alfonso El Casto en de Militaire Ordes van Santiago, Calatrava en Montegaudio de stad te gaan belegeren en het beleg begint op Driekoningen 1177.

De slotvoogd Abu Beka vraagt hulp aan de kalief Yacub Yusuf maar die heeft andere bezigheden in Afrika en hij weigert hulp.

Op 27 juli deden de belegerden een uitval naar het christelijke kamp met de bedoeling om de koning te doden maar dit mislukt, zij doden enkel de graaf Nuño Pérez de Lara.

De honger, de gekwetsten en de overledenen veroorzaakt door de voortdurende aanvallen van de christelijke troepen dwingen de Moren om de stad over te geven. Het christelijke leger neemt de citadel en het kasteel in en nadat de laatste Moor de stad verlaten heeft komt koning Alfonso VIII triomfantelijk de stad binnen. De stad maakt vanaf dat moment deel uit van het koninkrijk Castila. Alfonso XIII geeft Cuenca de titel van stad.

4. Moderne tijd

Cuenca nam actief deel aan de rebellie van de Castiliaanse gemeenten in 1521. De stad leed onder het beleg van de Franse troepen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog.
Tijdens de Carlisten oorlogen werd de stad belegerd en ingenomen en werd de stadsmuur voor een deel vernietigd.

In 1902 stortte de toren van Giraldo in en na de vernietiging van de barokke voorgevel werd die vervangen door een neo-gotieke gevel, een werk van de architect Vicente Lamperez.


5. Interessante plaatsen

In 1996 werd de “Ommuurde stad Cuenca” opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco en de volgende plaatsen hebben een specifieke vermelding gekregen.


A. Catedral de Santa María y San Julián de Cuenca

De kathedraal van Santa Maria en San Julián is de belangrijkste kerk van Cuenca en hij is tevens de zetel van het diocees van Cuanca en van het aartsbisdom van Toledo. 


Geschiedenis

Op 21 september 1177 veroverde Alfonso VIII van Castilla de stad Cuenca en hij stichtte er de bisschopszetel in 1183. De oude Moorse moskee werd overgedragen aan de bisschoppen die de plaats inwijden en ze opdroegen aan de Maagd Maria. De bisschoppen van Valeria en Arcas brachten hun zetel over naar de stad.

De echtgenote van Alfonso VIII was Leonor van Engeland of Plantagenet en zij was de dochter van koning Enrique II Plantagenet van Engeland en van Leonor de Aquitanië, Hertogin van Aquitanië en zuster van Ricardo Corazón van León.

Als bruidsschat was zij vergezeld door Normandische ridders die tijdens de bouw van de kathedraal hun invloed uitoefenden op de bouwstijl. In deze tijd was het de gewoonte om de romaanse bouwstijl te gebruiken maar door de Normandische invloed aan het hof van Alfonso VIII werd de kathedraal van Cuenca de eerste kathedraal die in Castilië gebouwd werd in gotische stijl samen met die van Ávila .

De werken aan de kathedraal begonnen in 1196 en ze werden beëindigd in 1257. Zoals de meerderheid van de religieuze gebouwen werden er in de loop der tijden een aantal verbouwingen aan aangebracht.  In de zestiende eeuw werd de kathedraal aan de buitenkant helemaal verbouwd, in de zeventiende eeuw bouwde men de Kapel van het Sanctuarium en verbouwde men de voorgevel en de torens in de barokstijl.

In de achttiende eeuw bouwde men het hoofdaltaar en aan het begin van de twintigste eeuw, naar aanleiding van een aardbeving in 1902, werd de voorgevel heropgebouwd.

Kenmerken

Het meest kenmerkende aan het gebouw is de eigen aanpak van de gotische architectuur die nauw verbonden is met de anglo-normandische en franco-normandische bouwstijl uit de twaalfde eeuw die in Frankrijk populair was.  We kunnen hier voorbeelden van zien in Sasson, Laon en Parijs.

Aanvankelijk was het een meer romaans gebouw, met vijf trapsgewijze absiden, met drie beuken in het centrale gedeelte. De werken ontwikkelden zich verder en in de dertiende eeuw bouwde men het triforium (een gang boven een zijbeuk in een kerk) met grote ramen omlijst door stucwerk en versierd met standbeelden van engelen.

In de binnenzijde van de kathedraal werd in de achttiende eeuw in opdracht van het kapittel van de kathedraal een transparente gemaakt. Dat is een raam van glas waarmee er voldoende licht in de kerk komt zodat het altaar verlicht en versierd wordt. Dat gebeurde door de architect Ventura Rodriguez en dit raam rivaliseerde met het raam van Narciso Tomé in de kathedraal van Toledo. Door de plaatsing van het raam met zijn indirect verkreeg Rodriguez spectaculaire effecten.

In de achttiende eeuw bouwde men het nieuwe hoofdaltaar en in het begin van de twintigste eeuw herbouwde men als gevolg van de instorting van de toren, de voorgevel en een deel van de gewelven een nieuwe voorgevel. Deze was een werk van Vicente Lampérez en de gevel werd in de neo gotische stijl herbouwd.

Deze werken werden door het verzet van een aantal architecten die wezen op de gevaren van het inbrengen van vreemde invloeden in het originele ontwerp nooit voltooid.

B. De kerk van San Andrés (Iglesia de San Andrés)

Deze kerk werd gebouwd in de zestiende eeuw onder leiding van de architect Pedro de Alviz, die bijgestaan werd door de bouwmeester Sebastián de Arnani.

Het werk heeft stil gelegen tot in de zestiende eeuw, Juanes de Mendizábal en haar schoonzoon, Pedro de Aguirre, de werken terug hebben opgestart.

De diepgaande crisis in Cuenca tijdens het eerste deel van de zeventiende eeuw had een negatief effect op de werken die eerst op het einde van de zeventiende eeuw werden hervat.

De vochtigheid had ondertussen zijn werk gedaan, de muren en de bogen van het koor waren beschadigd en ook de fundering was aangetast.

Domingo Ruiz werd belast met reparaties aan het gebouw. In 1936 had de kerk te lijden onder zware beschadigingen en na de burgeroorlog werd het gebouw aan de gildes gegeven.

Beschrijving

De plattegrond van de kerk is trapeziumvormig en dat is voornamelijk door de kleine grond oppervlakte waar de kerk opstaat.

Het kerkschip is verdeeld in drie gedeelten door middel van steunpilaren die tegen de muren aan staan. De ligging van de sacristie achter het altaar betekend een grote vernieuwing omdat dat de architect verplicht de draagsteen te laten ondersteunen door een fijne beugel, een manier van ondersteunen die dikwijls gebruikt is door de architect Pedro de Alviz.

Alviz en Arnani trokken de muren van het gebouw op maar zij slaagden er niet in om er een dakbedekking op te leggen. Voor een architect zoals Alviz, die gewoon was om oplossingen te gebruiken uit de gotiek was dit ongetwijfeld een zwaar probleem. In feite was de kerk vele jaren later nog altijd niet overwelfd. Tot het einde van de zestiende eeuw en het begin van de zeventiende eeuw was er geen gewelf op de kerk.

In het eerste gedeelte, aan beide zijden van het kerkschip, zijn er enkele bogen in een eenvoudige platereske stijl en zij zijn ingelijst door pilaren met kapitelen met daarin bloemen en andere motieven uit de renaissance verwerkt.

De voorgevel is goed bewaard gebleven alhoewel de vernieling van de raamstijlen de onderlinge verhouding beschadigd heeft. Conceptueel is het een geavanceerd werk. Het is gemaakt alsof het een koepeltje is dat toegevoegd werd aan een voorgevel. Om dit effect te bereiken heeft men de steunberen zodanig geplaatst dat de twee lichamen de voorgevel accentueren.

Het bovenste deel bevat een kleine nis waarin een beeltenis staat van San Andrés wat een grote vernieuwing is door de twee steunpilaren aan beide zijden.

De toren aan de voet van de kerk steunt, door de nauwheid van de straat op een draagsteen.
Er zijn ook twee tralies die de ramen in de voorgevel afsluiten. Deze tralies zijn gemaakt in de zestiende eeuw en die tijd vertoonden zij een grote pracht.

C. Kerk van San Miguel (Iglesia de San Miguel)

De kerk staat op een platform in de monding van de rivier Júcar, naast de oude stadsmuur en het is een van de oudste parochies in de stad. De kerk werd door het bisdom van Cuenca in het midden van de twintigste eeuw aan de stad geschonken en sindsdien is de kerk als concertzaal in gebruik.

De bouw en de uitbreidingen
De kerk is gebouwd in de dertiende eeuw en zij had toen een zeer eenvoudige structuur. Een kerkschip in metselwerk met een houten draagstuk, een halfrond apsis en een toren.
In de vijftiende eeuw werd er aan kerk een andere beuk toegevoegd die ook afgesloten werd door een versierd plafond. In de zestiende eeuw gebeurde er aan de voorgevel een grote verbouwing die uitgevoerd werd door Esteban Jamete en Pedro de Yrízar. De koepel werd ontworpen door Jamete en is versierd met bloemen motieven.

Binnenin
In de achttiende eeuw onderging de kerk een grondige verandering. De oorspronkelijke houten sluiting van de beuken werd veranderd in het voornaamste tongewelf en in het zijdelingse kerkschip plaatste men een kloostergewelf.  Dat gewelf werd geplaatst op dubbele pilaren die korintische kapitelen hebben met versierde hoofdjes van engeltjes.

De voorgevel
In de voorgevel dateert het onderste deel uit de achttiende eeuw. Het is opgevuld en het beperkt zich tot een halfronde boog tussen pilaren die nauwelijks uitsteken.
Het bovenste gedeelte heeft een centrale nis tussen dubbele ionische pilaren en er staan enkele beelden van donoren.

D. Kerk van Sint Niklaas van Bari (Iglesia de San Nicolás de Bari)

Deze kerk is gebouwd in de vijftiende eeuw alhoewel architectonisch gesproken de bouwstijl niet overeen komt met de toegepaste renaissance stijl uit deze periode. De oorspronkelijke structuur is rechthoekig met een stenen absis in de voorgevel.

Beschrijving

De kerk is gebouwd met gewoon metselwerk, met een bedekking met mortel en zij werd versterkt in de hoeken door hardsteen.

Het gebouw heeft drie zeer eenvoudige gevels. De belangrijkste gevel, op de plaza de San Nicolás, waarin de toegangspoort tot de kerk staat, hij bevat een puntige boog met een richel en is ondersteund door aanleunende pilaren met een eenvoudig kapiteel. .

De toren, leunend tegen de kerk heft een rechthoekige vorm en bestaat uit twee delen. Het lager gedeelte is gebouwd in gewoon metselwerk dat bedekt is met mortel en dat in de hoeken verstevigd is met hardsteen. Het hoger gedeelte is helemaal gebouwd in hardsteen dat eindigt met een stenen kroonlijst. Het dak van de toren waarin vier dakhellingen gemaakt zijn.

De kerk heeft een kerkschip dat verdeeld is in drie delen. De verdeling gebeurt door pilaren beëindigd door een lambrizering.

In het eerste deel vinden we het groot altaar waarin een beeltenis staat van een Italiaanse heilige in een nis van rood marmer.

Aan de rechterzijde van het altaar is er een deur waarachter er een stenen trap is die toegang geeft tot de klokkentoren.

E. Kerk van San Pedro (Iglesia de San Pedro)

Deze kerk ligt in het hoger gelegen gedeelte van Cuenca. Zij werd gebouwd met drie beuken en een toren even nadat de stad veroverd was door Alfonso VIII. 

In de helft van de vijftiende eeuw, wanneer de strijd tussen Diego Hurtado de Mendoza, Markies van Cañete en de bisschop Lope de Barrientos oplaaide, heeft deze kerk een belangrijke rol gespeeld als sterke voorstander van de bisschop.

In de zestiende eeuw werd de metselaar Alonso de Torres gecontracteerd om een plaasterwerk uit te voeren in een kapel. Misschien betreft het de kapel van San Marcos welke gefinancierd werd door de kapelaan van de kathedraal, Miguel Enríquez. Het werk aan de kapel was zoals een inscriptie zegt, klaar in 1604 en ze is bedekt met een prachtig achthoekig versierd plafond in mudejar stijl.

Veel later werd deze kapel het bezit van de graven van Toreno.

In de zeventiende eeuw was de toren van de kerk in een zodanig slechte staat dat de toren dreigde te verdwijnen. In 1660 werd dan de beslissing genomen om de toren terug op te bouwen zodat het proces van afbraak zou gestopt worden.

Men droeg vervolgens Pedro Salinas, Andrés Martínez en Simón Martínez op om een bouwplan te maken voor de werken, een plan dat nagekeken werd door Juan del Pontón. Deze architect, de de meester opzichter was over de werken in het bisdom gaf de voorkeur aan het werk van Pedro Salinas zonder het werk van de andere af te breken. Bovendien bracht Pontón enkele voorwaarden naar voor zoals het gebruik van welke bouwmaterialen en het formaat van de toren. Er werd in het bijzonder verwezen naar de voorwaarde dat de toren bedekt moest worden met een dak dat beter moest zijn dan leisteen en er mocht geen gebruik gemaakt worden van blik.

Toen deze voorwaarden bekend werden gemaakt werd op 8 februari 1661 het werk gegeven aan Gregorio Pastor voor een bedrag van 3.300 reales.

Tijdens de achttiende eeuw, tijdens het episcopaat van José Flórez Osorio, werd de kerk, evenals andere kerken in het diocees van Cuenca gerenoveerd en de architect van dit werk was José Martín de Aldehuela.

De hervorming van de oude kerk, met het versierde plafond in de kapel van de graven van Toreno evenals de klokkentoren is een werk van het einde van de zestiende eeuw en het is een duidelijk voorbeeld van passende oplossingen voor de oneffen gronden van de stad.

In deze kerk, is het oppervlak in acht vorm dat ingeschreven is in een cirkel. In deze perimeter staan er pilaren verbonden met halfronde bogen.

De bedekking van de kapel is duidelijk in het acht vormig ontwerp van het gebouw. Echter, in deze centrale ruimte is er het apsis dat eveneens veelhoekig is en dat gemarkeerd is een duidelijke kern. Boven de poort is er een klein koor.

Deze ronde ruimte, die wordt omlijst door een kroonlijst sluit af met een koepel boven een tamboer wier ramen meer in het werk van José Martin passen.

Ook de gebruikte kapitelen en de versierde nissen zijn een veel gebruikt motief door deze architect.

De voorgevel is ook zeer typisch voor het werk van José Martin met zijn boog met een halve punt tussen de steunpilaren en de nissen aan beide zijden.

De toren, die bestaat uit drie afnemende delen werd op het einde van de achttiende eeuw uitgerust met een klokkenspel.

De kerk werd na de Spaanse burgeroorlog gerestaureerd na de grote vernielingen die werden aangericht.

F. De kerk van het Heilig Kruis (Iglesia de Santa Cruz )

Deze kerk was een van de eerste parochies in Cuenca. Zij was van een bescheiden constructie met een beuk die opgetrokken is in gewoon metselwerk en met een houten dak. Vandaag is deze kerk een centrum voor ambachtswerk.

In het midden van de zestiende eeuw begon Juanes de Mendizábal el Viejo met de verbouwing van de kerk en tijdens de drie jaar durende verbouwing leidde hij de werken.

Deze verbouwing was een sterke prikkeling om het gebouw te verbeteren maar de grootste impuls kwam er onder het episcopaat van bisschop Fresneda die in 1568 aan Francisco de Goycoa opdracht gaf om de verbouwing van de kerk te leiden.

Goycoa was een architect die een groot prestige genoot in Cuenca, hij werd trouwens benoemd tot inspecteur-generaal van de werken in het bisdom.

Het lijkt er op dat hij niet persoonlijk toezicht hield op de werken maar dat hij die opdracht gaf aan Juanes de Mendizábal el Mozo, opzichter met een groot aanzien. Toen Goycoa overleed, nam de architect Pedro de la Vaca de taak op zich maar hij bracht enkele wijzigingen aan het project aan, waarvan de meest in het springende de verbreding van het kerkschip was.

Mendizábal el Mozo, die een neef was van Juanes de Mendizábal el Viejo, verhoogde de buitenmuren en keerde een van de bogen om tegen de steunberen die aanleunden bij de dorische zuilen. Deze zuilen werden in de achttiende eeuw vervangen door pilaren.
Het gebouw werd bedekt met een houten plafond en dat werk werd uitgevoerd door de bouwmeesters Damián Saravia de Oropesa, Francisco Pinarejo, Jerónimo Vadello en de houtsnijders Gaspar de Berriote en Villanueva.

In de achttiende eeuw was er weer een grote verbouwing, de kerk werd nu overwelfd. De uitvoering van het werk werd in handen gegeven van de bouwmeester Manuel de Santa María.

De kerk heeft een kerkschip dat verdeeld is in zes delen door middel van schoorpijlers met aan leunende pilaren en er is een absis met meerdere hoeken.

Het gebrek aan ruimte in de kerk, doordat ze aan de kloof van de Huécar ligt, verplicht de bouwheer om de sacristie achter de grote kapel te zetten.

In de zestiende eeuw wordt de kerk bedekt met een houten lambrisering die in de achttiende eeuw vervangen wordt door een tongewelf dat gemaakt is uit tufsteen.

De voorgevel van de kerk is een werk uit de zestiende eeuw. Het is een zeer eenvoudig ontwerp en het bevat een halfronde boog tussen aan leunende ionische pilaren. In het bovenste gedeelte is er een nis tussen twee “C's”en dat is zeer karakteristiek voor het werk van de architect Rodrigo Gil de Hontañón.

Binnenin de kerk zijn er resten van een schildering uit de achttiende eeuw.

G. Kerk van de Verlosser (Iglesia de El Salvador)

Deze kerk werd gebouwd tijdens de late middeleeuwen toen de stad een grote uitbreiding nam in zuidwestelijke richting doordat de bevolking snel toenam.

Deze kerk, zoals de meeste kerken die in deze periode gebouwd werden hadden een zeer eenvoudige structuur en in deze kerk vinden we een kerkschip, met kapellen tussen de schoorpijlers. Dit is een manier van bouwen uit de levantijnse traditie. De dakbedekking is gemaakt uit hout en er is een toren met een vierkant oppervlak.

In de zestiende eeuw breidde de wijk El Salvador uit en het is belangrijk te weten dat in 1534, toen er water naar de stad gebracht werd, er een fontein kwam aan de poort van de kerk in San Salvador ten behoeve van de bevolking.

Tijdens de zestiende eeuw werden er verschillende werken uitgevoerd waaronder de belangrijkste in de kapel en de sacristie zijn geweest. Zij werden uitgevoerd door Pedro de la Vaca, Pedro de la Viña, Martín de Mendizábal el Viejo en Toribio de la Haza. We zien ook nog het werk van de beeldhouwer Diego Gil, die de kerk voorzag van een nieuwe houten lambrisering. Ook nog in de zestiende eeuw, vergrootte men de kerk door de bouw van kapellen aan beide zijden van het kerkschip en wij weten dat Isabel de Moya, Juan del Collado, Alonso de Luna en de Justiniano hier hun kapel hadden. De eerste twee hadden een retabel dat geschilderd is door Juan Gómez de Mora, neef van Francisco de Mora.

In de zeventiende eeuw, in 1656 werden de grootste veranderingen aan de kerk aangebracht door de aanleg van een nieuwe dakbedekking. Het kerkschip met zijn grote ruimte en zijn grote hoogte werd overkoepeld door een tongewelf. In de bouw werd zoals bepaald in de bouw voorwaarden gebruik gemaakt van tufsteen.

De verbouwing werd ontworpen door Juan del Pontón, de bouwmeester van het bisdom en het ontwerp is bewaard gebleven in het Historisch Provinciaal Archief van Cuenca.

De verbouwing werd uitgevoerd op initiatief van de beheerders Mateo Carnerero en Pedro González de Aragandoña, zij waren de proosten van het kapittel van de Maagd van de Eenzaamheid. Dit kapittel heeft ook zijn kapel in de kerk en deze kapel werd afgesloten door een hek van de hand van de architect José de Arroyo.

Eveneens in de zeventiende eeuw realiseerde met de voorgevel van de kerk. De halve boog van de poort is niet goed ingepast tussen de pilaren. De nokversiering is gereduceerd tot een driehoekig fronton, onderbroken door een nis met daarin de beeltenis van de houder van de kerk. In het begin van de achttiende eeuw werd de kapel van het Heilig Graf (Santo Sepulcro) volledig verbouwd. Zij werd overdekt met een koepelgewelf.

Voor de versiering heeft men gebruik gemaakt van de combinatie van geometrische motieven en met plantaardige motieven.

Deze kapel behoort tot het kapittel van de Ridders en schildknapen van Cuenca (Cabildo de Caballeros y Escuderos de Cuenca) en was tot kort geleden nog in gebruik voor het ridderen van mannen.

In de negentiende eeuw, werd de kerk belangrijker omdat zij de parochianen van andere parochies moest absorberen en daarom werd er in 1863 besloten om de kerk nogmaals te verbouwen. Men gaf de opdracht aan Juan José Trigueros, architect van het diocees die enkele ontwerpen met grote zorg maakte. De grootste wijzigingen waren aan de buitenzijde van de kerk en de grootste wijziging was wel de verplaatsing van de kerktoren naar de voorzijde van de kerk.

Dit idee werd echter werd maar in uitvoering genomen in 1903 maar volgens een veel eenvoudiger plan. Luis López de Arce presenteerde het nieuwe project waarna de werken begonnen en zij duurden twee jaar. Men had dan een toren die meer eclectisch was, neogotisch, van steen en baksteen en met vreemde mudejar invloeden.

H. Bisschoppelijk Paleis van Cuenca (Palacio Episcopal de Cuenca)

Het bisschoppelijk paleis van Cuenca werd in 1250 door bisschop Mateo Reinal ingericht in een van de huizen van het kapittel van de kathedraal. Deze huizen, die vermoedelijk van origine uit de Moorse periode dateren hebben enkele Arabische inscripties en er is een poort die versierd is met stucwerk.

Op het einde van de vijftiende eeuw richtte men in het paleis het Tribunaal van de Inquisitie in en dat tribunaal bleef daar tot in 1530.

In 1535 besliste bisschop Diego Ramírez om het paleis te verbouwen. Hij contacteerde hiervoor Pedro de Alviz, die een project opmaakte om in het paleis een centrale binnenplaats te maken met daarrond de benodigde ruimtes. Voor het houtwerk deed men beroep op de meester timmerman Alonso de León.

Beschrijving

De binnenplaats van het paleis is in een zeer goede staat gebleven en zij heeft een vierkante vorm.  De benedenverdieping heeft in elke galerij drie gotische bogen met in elke boog een curve van de Katholieke Koningen.

In de bovenverdieping is er een galerij geopend die de tussenruimten dupliceert en er zijn bogen die steunen op ionische kolommen. Het wapenschild van Diego Ramírez, staat hier ook evenals op tal van andere plaatsen in het gebouw.

Voor deze belangrijkste binnenplaats is er een andere en die heeft een rechtstreekse toegang tot de buitenwereld.

In het begin van de achttiende eeuw kreeg de voorste binnenplaats een belangrijke aanpassing Er kwam een uitbreiding van de gang die van de voorgevel naar de kruisbeuk gaat.

De gevel is buitengewoon klassiek in zijn algemene ordening en in de versiering van zijn nissen.

In 1781 legde men een dak op de voornaamste binnenplaats en men versierde een plafond van een van de salons in de zuidelijke vleugel met een kleine koepel en men bracht er versiering in aan van arenden in reliëf.

I. De toren van Mangada

De eerste toren van Mangada lag in Cuenca en had een vierkante vorm. We weten dit door een werk van de schilder Anton Wyngaerde; hoewel in een beschrijving van de toren uit 1565 er geen kruis en geen ijzeren windhaan is welke in 1532 door Esteban Limosín op het kapittel waren geplaatst dat de toren afsloot.

Er zijn bewijzen dat er in de late zestiende eeuw door de architect Juan Andrea Rodi enkele werken aan de toren zijn uitgevoerd; maar noch deze noch andere later uitgevoerde werken hebben het uitzicht van de toren veranderd als we de schilderij van Wyngaerde en de beschrijving door Juan Llanes y Massa in de achttiende eeuw vergelijken.

De blikseminslag op het einde van de achttiende eeuw en de komst van de Fransen aan het begin van de negentiende eeuw hadden de tussenkomst van de architect Mateo López tot gevolg. Hij moest de herstellingen van de zware vernielingen voor zijn rekening nemen die de twee voorgaande feiten hadden veroorzaakt.

Tijdens het tweede deel van de negentiende eeuw werd besloten om de top van de toren die niettegenstaande de restauraties in een verschrikkelijke staat was te restaureren.

In 1926 veranderde het uiterlijk van de toren op een opmerkelijke wijze. Het was de architect Fernando Alcántara die verantwoordelijk was voor deze gedaanteverandering. Hij koos voor een mudejar stijl voor de toren.

Hij verwijderde de torenspits en in de plaats zette hij er een klein klokkenspel neer. Het had een vierkante vorm en het werd overdekt door een koepel. De muren werden werden bedekt met een rijke en kleurrijke versiering die geïnspireerd was op Moorse motieven terwijl de kantelen op de toren ons doen denken aan de moskee in Cordoba.

Maar deze mudejarstijl is niet de laatste en de toren werd opnieuw onder handen genomen in 1970.

Met deze verbouwing wil men volgens de toelichting bij de werken een toren maken dat niet alleen een artistiek monument is dat belangrijk is voor Cuenca maar men wil er een echt symbool van maken.

Waardigheid aan de toren geven betekende in dit geval de toren versterken. Het project uit 1968 van Víctor Caballero, wou de toren een versterkt karakter geven met een militaire architectuur.

Caballero gaf aan de constructie een dodelijke kracht en en hij verwijderde tevens de dakbedekking .

J. Hangende huizen

De hangende huizen zijn een verzameling van huizen in Cuenca. In het verleden was het de gewoonte om aan de oostelijke kant van de oude stad, tegenover de riviermonding van de rivier Huécar deze architectonische elementen te gebruiken maar vandaag de dag zijn er nog maar enkele overgebleven. De bekendste verzameling vandaag bestaat uit drie huizen met houten balkons.

Hun oorsprong is onzeker maar zij bestonden zeker in de vijftiende eeuw. Tijdens de loop der jaren werden er verschillende structuren gebruikt maar de meest recente dateren uit de jaren 20 van de vorige eeuw.

Zij werden gebruikt als private woningen en als stadhuis maar op dit moment doen zij dienst als restaurant en als Museum voor de Spaanse Abstracte Kunst (Museo de Arte Abstracto Español).

K. De brug van San Pablo (El puente de San Pablo)

Deze brug is een loopbrug over de rivier Huécar in de stad Cuenca. Zij werd gebouwd tussen 1533 en 1589 op initiatief van de kanunnik Juan del Pozo en zij was origineel in steen. Zij was de verbinding tussen het klooster van San Pablo en het centrum van de stad.

Toen de eerste brug was ingestort werd er in 1902 de huidige brug gebouwd van hout en staal en volgens de architectonische lijn van dat moment. Het is een rechtlijnige brug en zij rust op pijlers.

De brug maakt deel van het patrimonium van de stad en het is een van de beste plaatsen vanwaar men een zicht heeft op de hangende huizen.


L. De herberg van San Jose (Posada de San José)

De herberg van San Jose vinden we in het bovenste gedeelte van de stad en het ligt aan de calle Ronda de Julián Romero. Het gebouw bestaat uit meerdere bovenop elkaar geplaatste delen.

Het originele gebouw stamt uit de zeventiende eeuw en het was eigendom van de familie Mazo. Dit paleis is vandaag een herberg en het is in zijn geheel goed bewaard gebleven, daardoor is een goed voorbeeld hoe de herenhuizen er in die tijd hebben uitgezien.

Het heeft kamers en salons op verschillende niveaus die met elkaar verbonden zijn door trappen. De verlichting gebeurt door open nissen en galerijen.

Het werd gebouwd door Juan Bautista del Mazo in 1621, hij was schoonzoon en medewerker van Velázquez, hofschilder van Felipe IV, die later dienst deed in het Colegio de Infantes van het Koor van de Kathedraal van San José.

Deze instelling is gesticht door de kanunnik en aartspriester Diego de Mazo de la Vega, zoon van de leerling van Velázquez en het werd na zijn dood in 1660 opgericht.

Het gebouw werd gerestaureerd voor het huidige gebruik in de twintigste eeuw.

Binnenin het gebouw vinden we overblijfselen van balken en gebinten uit de middeleeuwse en Moorse periode.

De voorgevel is in een pure herreriano stijl, typisch Spaans voor deze tijd en die gebruik maakt van strenge geometrische vormen. Later werd de strenge structuur verzacht en waren er minder rechtlijnige vormen.

In de gevel zien we Toscaanse pilaren, een centrale nis en in de centrale balk is er een nis met een halfronde boog. Aan beide zijden zijn er consoles met daarin het wapen van de familie Mazo.

M. Het stadhuis van Cuenca (La casa consistorial de Cuenca)

Het stadhuis ligt aan de Plaza Mayor. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw is het gemeentehuis ingesloten op de Plaza Mayor die men in die jaren de schandpaal noemde. Het stadhuis was niet altijd op de plek, er zijn aanwijzingen dat de raden doorgingen op een andere plaats, aan de Poort van San Juan.

Geschiedenis

In het midden van de zestiende eeuw was het stadhuis in een zeer slechte staat en moest er een dringende restauratie komen en daarvoor werd de architect Pedro de Alviz gekozen. Tijdens de restauratie werken gingen de gemeenteraden door in het huis van de burgemeester.

Tijdens de laatste jaren van de zestiende eeuw, in 1595, bestond er de mogelijkheid om een huis aan te kopen dat eigendom was van de schepen Pedro Chico de Guzmán en dat huis lag aan de Plaza Mayor. Na verloop van tijd werd het huis te klein en in 1676 besliste men om het huis te vergroten. Daarvoor kocht men het naastgelegen huis aan dat op dat moment eigendom was van de kerk. De prijs voor dat huis was 4,500 reales.

In het begin van de achttiende eeuw dreigde het stadhuis te vervallen tot een ruïne. Door deze staat van het gebouw bracht men het archief van de stad over naar het huis van de burgemeester waar vanaf dan ook de vergaderingen van de raad doorgingen.

Om ongelukken te voorkomen werd er een omheining geplaatst rond het gebouw en werden de straten rond het stadhuis afgesloten.

Daarop werd er besloten om het oude stadhuis te slopen en het nieuwe stadhuis moest op dezelfde plaats komen als het oude. 

Echter, in 1760 was men nog altijd niet begonnen met de werken die volgens een plan van Jaime Bort zouden uitgevoerd worden. Bort ontwierp een gebouw waarin hij gezocht had naar symmetrie. Deze gezochte symmetrie was moeilijk te bereiken omdat de topografie in dat deel van de stad dit moeilijk toeliet.

Om het project van Bort te kunnen uitvoeren moest men een terrein aan de westelijke zijde in zijn bezit hebben dat juist tegenover het oude gemeentehuis lag.

Eenmaal men het terrein in zijn bezit had in 1760 kreeg Lorenzo de Santa María, de opdracht om met de werken te beginnen. In 1762 waren de werken klaar.

In 1788 viel dan de beslissing om het gebouw te vergroten en dat was een werk van de architect Mateo López. Hij moest het archief en de oratorium in een nieuw huis brengen en daarom moest dat aangekocht worden aan de zijde van de kerkfabriek.

Echter, dit project werd niet uitgevoerd omdat men een jaar later van idee veranderde. Men besloot toen dat het beter en goedkoper moest. Het archief en het oratorium werd ingericht in de zaal van het gemeentehuis die op de begane grond lag.

Beschrijving

Het gemeentehuis is een van de meest karakteristieke barokke gebouwen in Cuenca. De voorgevel telt drie verdiepingen en ze worden gescheiden door pilaren van een verschillende grootte.

De eerste verdieping bestaat uit een open bogengalerij die toegang geeft naar de Plaza Mayor. Ze bevat enkele Toscaanse pilaren tussen de bogen.

Dezelfde driedelige verdeling, met ionische pilaren zijn er in de gelijkvloerse verdieping waar Bort de zaal van het gemeentehuis en de burelen heeft gezet. Op deze verdieping zijn er drie nissen met een open balkon die versierd zijn met baquetones (klein lijstwerk of richel), pilaren en frontons.

Op de derde verdieping zijn de tussenruimtes vermeerderd om de proporties van de architectuur te kunnen behouden.

De ruime zolder die het einde is van de gevel verbergt vanaf het plein het zicht op het dak. In het midden is er een nokversiering in de vorm van een sierkam die uitloopt met de figuur van een leeuw.

De achtergevel die uitkomt op de straat Alfonso VIII, bevat meer licht en zijn vormgeving is meer klassiek. Hij is ook verdeeld in drie delen, met balkons op de gelijkvloerse verdieping en ramen in de bovenste delen.

De deuren die onder de portiek staan zijn van een eenvoudig ontwerp en hebben een verbinding met de Franse architectuur.

6. Website: Toeristische Dienst van Cuenca, de site is beschikbaar in het Spaans, Engels, Frans en Duits.