Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!
Baeza en Úbeda



  1. Algemeen Baeza
  2. Geschiedenis
  3. Monumenten en belangrijke plaatsen
  4. Algemeen Úbeda
  5. Monumenten en belangrijke plaatsen
  6. Buiten de muren
  7. Buiten de stad
  8. De website
Deze maal zijn het twee steden die samen opgenomen zijn op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. We beginnen alfabetisch en dat is:

Baeza

1. Algemeen

De stad Baeza ligt in het centrum van de provincie Jaén en dat is in het oosten van de autonome regio Andalusië.



De stad staat bekend om haar monumentale erfgoed, voor haar opname op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco (samen met Úbeda) en als een van de drie zetels van de Internationale Universiteit van Andalusië.

"Nido Real de Gavilanes " zoals de stad in de liederen boekjes genoemd werd was de sleutel  in de verovering van Al-Andalus door de christelijke koningen. Men zijn uitzicht over de Guadalquivir verzekerde het bezit van de stad een controle en een bedreiging over de koninkrijken aan de linkerkant van de grote rivier.

De verovering van de stad in 1227 is zo belangrijk dat koning Fernando III besluit om vanaf dit moment de koninklijke vlag, die later de Spaanse vlag zal worden, te voorzien van het Andreaskruis, een symbool van de stad. Gedurende eeuwen, tot Carlos III, is het het onderscheidend symbool op de Spaanse vlag en zelfs tot op vandaag de dag heeft koning Juan Carlos het Andreaskruis op zijn wapenschild.

2. Geschiedenis

A. Prehistorie
We kunnen inderdaad spreken van een "prehistorie" omdat er rond het hedendaagse Baeza een aantal archeologische vindplaatsen zijn.

Hoewel er tot aan de kopertijd , in het midden van het derde millennium, geen overblijfselen gevonden zijn die een menselijke aanwezigheid aantonen is het zeker dat vanaf het vijfde millennium voor Christus menselijke overblijfselen gevonden zijn.  Het gaat over een leefomgeving die karakteristiek is voor een samenleving van jagers en landbouwers.

Duizend jaar later, verschijnen er meer naar het zuiden gemeenschappen, meer bepaald in de grotten en schuilplaatsen van de Sierra Mágina.

Tijdens de kopertijd verschijnen er hutten dorpen waarvan sommige ommuurd zijn en zij hebben een uitzicht over de Guadalquivir waar de gronden veel vruchtbaarder zijn.

Het gaat hier over een samenleving die vrijwel zeker een gediversifieerde economie had en waar men landbouw, bosbouw, veeteelt, visvangst en jacht had.  Verder werden er een groot aantal werktuigen en gereedschappen aangetroffen.

Tijdens de bronstijd verschijnen er nieuwe dorpen, en de activiteiten in de dorpen blijven praktisch gezien dezelfde als tijdens de vorige periode.

In Cerro del Alcázar, meer naar het zuiden van Baeza was er een van dergelijke dorpen en dat bestond meer dan driehonderd jaar, het was ommuurd en binnen in de muur lag de begraafplaats.

B. Middeleeuwen
In de achtste eeuw, met de komst van de Moren noemde men de stad Bayyasa. Het grondgebied werd herverdeeld tussen hispano-goten, de Arabische stammen, de Omejaden en de kerk.

De muwallads (bekeerd tot de islam) en de mozaraben (christenen die in Al- Andalus bleven) samen in een samenleving resulteerde in sociale structuren die niet verschilde van de bestaande structuren in gebieden met dezelfde godsdienst.
 
Na verschillende periodes van crisis kwam men tot de val van kalifaat en brak de periode van de taifa koninkrijken aan waar Bayyasa soms aan het ene en soms aan het andere koninkrijk behoorde.

Hierna volgt een overheersing van de stad door de Almoraviden en Almohaden, deze laatsten vernietigen in 1212 de stad bijna volledig toen zij tegenover de christelijke troepen onder leiding van Alfonso VIII stonden.

In een van de volgende taifas was Bayyasa de hoofdstad van een kortstondig koninkrijk dat een gebied bestreek gaande van Jaén tot Córdoba. Zijn emir, Allâh-al-Bayyâsi was een vazal van Fernando III en de emir gaf hem steun tegen de andere Arabische emirs. Deze emir werd door verraad vermoord in Almodóvar del Rio en op 30 november1227 heroverde Fernando de stad Baeza.

De koning geeft aan Baeza de Conquense macht met de bedoeling om een christelijke bevolking aan te trekken uit de noordelijke gebieden. Enrique II gaf grote donaties aan zijn aanhangers in de regio om er zijn macht te versterken.

In deze tijd zijn er twee machtige families in de stad die tegenover elkaar staan, het zijn de families Benavides en de Carvajales en deze strijd krijgt de naam "burgeroorlog in Baeza, guerra civil baezana". Deze oorlog werd gestopt door Isabel de Katholieke die als straf het kasteel liet afbreken dat op de gelijknamige heuvel stond.

De economie van de stad is sterk door de grote productie aan graan, meel, wijn, olijven. Er is een grote veeteelt en een daarbij horende grote wol- en leerlooiers industrie.

In het midden van de zestiende eeuw is de bevolking van Baeza verdubbeld tegenover de vorige eeuw. Zijn rijkdom aan landbouw, veeteelt, industrie en handel maakt een aristocratie in de stad die verantwoordelijk is voor de talloze monumenten en gebouwen die ook vandaag de dag de pracht en praal van de stad uitmaken..

C. Moderne tijd
Tijdens de achttiende eeuw kwam de stad in een economische recessie terecht zoals de rest van het land en die recessie kwam door de onzinnige politiek van de opvolgers van Felipe II. De vele buitenlandse oorlogen hadden een zeer slechte invloed op de economie en op de bevolking.

De Bourbons gaven meer om het land en zij waren bezorgder voor het welzijn en de welvaart van de bevolking. Baeza was op dit moment reeds financieel uitgeput en het was te laat voor een spoedig herstel.

De grondrechten bleven voor het overgrote deel in handen van grootgrondbezitters en van de kerk en er bleef weinig land over voor de kleine boeren en de pachters.

Een andere ramp voor de stad was de aardbeving van Lissabon in 1755 die ook hier in de stad grote verwoestingen aanrichtte.

D. Hedendaagse tijd
De vele veranderingen tijdens de negentiende eeuw op politiek vlak, waaronder de ernstige gevolgen van de Franse bezetting, brachten voor Baeza een grote vermindering met zich mee wat de bevolking en de economie betreft.

Men moet wachten tot de tweede helft van deze eeuw voor er een licht herstel in de stad komt. Later ontwikkeld er zich op andere plaatsen de mijnbouw in de Sierra Morena welke opnieuw een negatief effect hadden voor Baeza.

De sociale en politieke spanningen lopen in het begin van de twintigste eeuw op en de socialistische partij en de syndicale beweging werden geboren.

Na de dictatuur van Primo de Rivera die geen welvaart naar de stad bracht voerde de Tweede Republiek in 1932 landbouwhervormingen door maar de verwachtingen werden niet ingelost.

In 1936 werden vele gronden onteigend en zij kwamen onder het toezicht van de UGT en de CNT.

Tijdens de Franco jaren was er geen merkbare verbetering zichtbaar:
  • Tijdens de jaren 40 waren er de naweeën van de burgeroorlog met zijn zeer restrictief beleid en met tal van misoogsten.
  • Tijdens de jaren 50 was er geen verbetering in de levensomstandigheden door een gebrek aan interesse van het regime voor deze streek.
  • Tijdens de jaren 60, toen de situatie niet verbeterde kwam er een immigratiegolf op gang, niet alleen uit Baeza maar uit de ganse streek.
Men heeft in Baeza moeten wachten tot de democratie in voege kwam en op de toetreding van Spanje tot de Europese Unie. Er kwamen tal van subsidies die de levenskwaliteit van de bevolking en de economie verbeterden.

3. Monumenten en belangrijke plaatsen

A. Het gemeentehuis ligt in de calle del Cardenal Benavides, tegenover het huis waar Machado gewoond heeft. Het oude gebouw in plateresco stijl was de oude gevangenis of het justitiehuis. In het bovenste deel zijn er vier balkons die ondersteund worden door marmeren zuilen. De wapenschilden die we zien zijn die van de stad, van Felipe II en van de magistraat Juan de Borja. De plenaire zaal heeft een prachtig met vakken versierd plafond dat afkomstig is uit het klooster van San Antón.

Op het Plaza del Pópulo vinden we:
B. Het oud slachthuis (La Antigua Carnicería) dateert uit de zestiende eeuw. Het gebouw werd steen per steen verplaatst naar de Plaza de los Leones want vroeger stond het 100 meter verder. Op de bovenverdieping, waar vroeger de rechtbank zetelde is het embleem van keizer Karel te zien, de tweekoppige adelaar.

C. De burgerlijke rechtbank (Audiencia Civil y Escribanías Públicas), een gebouw in plateresco stijl waar momenteel het Bureau voor Toerisme is.

D. De zegeboog van Villalar (Arco de Villalar) werd opgericht ter herdenking van de Slag van Villalar ((Valladolid) in 1521. Dit was de triomf van de troepen van Carlos I over de Opstandelingen van Castilla.

E. De Leeuwenfontein (Fuente de Los Leones), dit is een archeologisch monument dat vroeger in het vervallen Romeinse Cástulo stond. Het is een symbool voor Baeza waarin de trots tot uiting komt dat zij gekozen zijn als de erfgenaam.van Cástulo met dezelfde functies zoals hoofdstad en als zetel van een bisdom.

Het draagt een standbeeld dat Himilce voorstelt, zij was de vrouw van Hannibal. Tijdens de burgeroorlog zagen de mensen er een figuur van de Heilige Maagd in en zij onthoofden het beeld. Nu staat er een exacte kopie van het vroegere hoofd op. Slechts twee van de dieren figuren zijn leeuwen, de andere twee zijn eenhoorns.

F. De voormalige universiteit (Instituto of antigua Universidad): de universiteit functioneerde meer dan drie eeuwen, tot in 1824.  Hier was het College voor Menswetenschappen.

In 1875 werd het instituut dan een middelbare school waar onder andere Antonio Machado les heeft gegeven. In de voorgevel zien we de wapenschilden van kanunnik Fernández de Córdoba. Het aantal kwastjes dat het schild versiert is groter dan hij in de realiteit bezat maar meer kwastjes gaf meer waardigheid.

In 1540 werd Juan de Ávila benoemd tot beschermheer en hij kreeg de opdracht om de organisatie op zich te nemen van de lessen aan de universiteit. In 1542 bestudeerde men er menswetenschappen en men kon er een graad behalen van bachelor, licentiaat en doctor in de kunsten en de theologie.

Het zijn de eerste studenten die na hun afstuderen aan de universiteit verbonden blijven maar nu als professor.  De nieuwe universiteit groeide uit tot de beste van Andalusië en zij zette zelfs de universiteit van Salamanca in de schaduw.

Helaas, de koortsachtige opwinding die er kwam over het begrip “menswetenschappen” en het feit dat de meeste professoren “nieuwe christenen” waren bracht de universiteit in het vaarwater van de inquisitie.

Deze inquisitie kwam tussenbeide in de werking van de school en zij beschuldigde een aantal van de professoren van ketterij en zelfs van demonische aanbidding.

Gelukkig voor de volgende generaties konden deze dwazen niet voldoende bewijs aanleveren tegen de professoren Hernán Núñez, Hernando de Herrera, Diego Pérez de Valdivia, Bernardo de Carleval en de universiteit hervatte zijn lessen.

Uiteindelijk zal deze dwazernij toch tot de ondergang van de universiteit leiden en beetje per beetje komt de sluiting dichterbij om uiteindelijk een middelbare school te worden.

G. Het Paleis Jabalquinto (El Palacio de Jabalquinto) is een van de symbolen van de stad. Dit voormalige paleis van Juan Alfonso de Benavides is een mooi voorbeeld van flamboyante gotiek.



De prachtige gevel is een werk van Juan Guas en Enrique Egas en illustreert de voorliefde van de toenmalige adel voor een overladen decoratie, pinakels, stenen kruisbloemen, bewerkte blazoenen enz. Er is een binnenplaats in renaissance stijl met een spectaculaire baroktrap.

H. De kerk van Santa Cruz (Iglesia de Santa Cruz) is gebouwd in romaanse stijl en dat is een rariteit in het oude Andalusië. Oorspronkelijk waren er in Baeza vijf van deze kerken maar nu is er maar een overgebleven.



De westelijke voorgevel is afkomstig uit de ruïnes van de kerk van San Juan. De kerk heeft drie beuken en een halfronde apsis. Aan de ene zijde is er nog een visigotische boog en aan de andere zijde is er een kapel waar ook de tweede toegangspoort is.

Deze kerk was van de orde van de Tempeliers.

I. Seminarie van San Felipe Neri (Seminario de San Felipe Neri) uit 1660 met een gevel in maniërische stijl, een halfronde toegangspoort en een fronton. Vroeger mochten afgestudeerde studenten hun naam op de muur schrijven met stierenbloed.

J. De gotische kanselarij of de gemeentehuizen (Cancillerías góticas of de Casas Consistoriales) waar de gemeenteraad bijeenkwam.

K. De kathedraal (Catedral de la Natividad de Nuestra Señora), werd gebouwd bovenop de oude moskee die op zijn beurt gebouwd was op een oudere heidense tempel.



De kathedraal is gebouwd tijdens de zestiende eeuw in renaissance stijl naar de plannen van de architect Andrés de Vandelvira.

Binnenin de kathedraal is er een grote luster die afkomstig is uit het Jabalquinto paleis. De gouden kapel werd gebouwd in opdracht van Pedro Muñez. De barokke monstrans is de op twee na de grootste van Spanje. Hij is 2,10 meter en  is gemaakt van verguld zilver. Het kostte de kunstenaar Gaspar Nuño de Castro veertien jaar om dit meesterwerk te maken.

L. De fontein van Santa Maria (Fuente de Santa María) ligt in het midden van het gelijknamige plein. Ze is gebouwd in 1564 door de architect Ginés Martínez als een eerbetoon aan de eerste waterleiding in de stad.

M. De toren van de Aliatares (Torre de los Aliatares), zijn benaming komt van de legende dat deze belangrijke Moorse familie de toren bezet hield tot aan de verovering van de stad. Hij heeft een hoogte van vijfentwintig meter met kantelen die vergelijkbaar zijn met die van de Boog van Villalar. De klok en de bel van de stad staan ook in deze toren.

N. De kapel van San Francisco (Capilla de San Francisco): Zij werd opgericht in 1538 onder het beschermheerschap van Diego de Valencia Benavides. De aardbeving van Lissabon in 1755 en andere omstandigheden hebben gemaakt dat dit prachtige voorbeeld van Andalusische renaissance tot een ruïne is vervallen..

O. De kerk van San Pablo (Iglesia de San Pablo) is gebouwd in gotische stijl maar zij heeft een renaissance gevel die de originele gevel heeft vervangen. Binnenin zijn er drie beuken en de kapellen zijn ook in gotische stijl behalve een die in renaissance stijl is. Het retabel is barok.

Hier zijn we ook de “Triptiek van de Aanbidding”.

In deze kerk ligt Pablo de Olavide begraven, de stichter van een aantal dorpen in de Sierra Morena.

In de omgeving van Baeza, dichtbij de Brug van de Bisschop ligt de Hacienda de Laguna naast de Grote Lagune, een gebied van de olijven industrie dat werd uitgeroepen tot Belangrijk Cultureel Gebied.




Úbeda

A. Algemeen


Úbeda is een stad in de provincie Jaén (Andalusië) en zij heeft diepe wortels in het oude Andalusië. De stad is de hoofdstad van het vruchtbare gebied van La Loma.

Úbeda werd op 3 juli 2003 samen met Baeza opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco omdat de kwaliteit en de bewaring van de renaissance gebouwen in de stad uitzonderlijk is.

De stad ligt op een heuvel en zij heeft een overzicht over de vallei van de Guadalquivir. Zij ligt tegenover de imposante Sierra Mágina in het centrum van de provincie.

Úbeda is een belangrijk centrum op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs met zijn universiteiten (UNED en SAFA), diensten van de belastingen en sociale zekerheid en rechtbanken.

Volgens het jaarboek van de bank “La Caixa” is het een van de meest welvarende streken van Spanje.

B. Oorsprong

Volgens de legende is Úbeda gesticht door een afstammeling van Noah en de naam van de stad zou afkomstig zijn van de mythische toren van koning Ibiut.

Als we ons beperken tot de archeologie dan gaan de eerste sporen van Úbeda terug tot de Kopertijd in het huidige Cerro del Alcázar.

In feite heeft recent archeologische onderzoek aangetoond dat men zesduizend jaar kan terug gaan en dat maakt van Úbeda de oudste stad van west Europa.

Er zijn ook sporen gevonden van de Visigoten en de Romeinen. Aan de andere kant is er een oudere autochtone bevolkingskern gevonden van Iberiërs die afhankelijk was van de Romeinse kolonie Salaria en het staat bekend als Úbeda la Vieja. Deze plaats lag tegenover de riviermonding van de Jandulilla in de Guadalquivir.

De stad kreeg een zekere belangrijkheid met de komst van de Moren en vooral met Abderramán II die aan de oorsprong lag van de naam Ubbada of Ubbadat Al-Arab (Úbeda "van de Arabieren").

C. Grensgebied

Vanaf de twaalfde eeuw verhoogden de Kastiliaanse koningen de druk op het gebied van de Quadalquivir en Úbeda werd slechts vermeld in schriftelijke bronnen van oorlogshandelingen.

Een van deze handelingen waren de aanvallen van Alfonso VII van León waarvan de eerste in 1137 en de volgende in 1147 was en dat was het moment waarop hij zich meester maakte van Úbeda, Baeza en Almería.

Tijdens de volgende tien jaar bleef de stad in handen van de christenen tot op het moment dat een tegenoffensief van de Almohaden in 1157 hen verplichtte zich terug te trekken.

De herovering en de verwoesting door Alfonso VIII na de Slag van Tolosa, of de Slag van Úbeda was een weinig later. De stad werd meerdere malen verwoest en geplunderd.

In 1233 werd Úbeda definitief veroverd door Fernando III van Castilla en werd de stad een kroondomein en de zetel van een aartsbisschop.

Fernando III ging vanaf Toledo naar Úbeda waar Muhammad ibn Hûd en Muhammad ibn Yusuf ibn Nasr ibn al-Ahmar geen hulp kregen van de andere Moorse heersers.

Toen de verdedigers van de stad dit te weten kwamen capituleerden zij.

Het is opmerkelijk dat Úbeda zich overgaf door capitulatie en misschien lag het bestaan van de drie bevolkingsgroepen hiervan aan de oorzaak. In de stad woonden immers Moren, Joden en christenen.

Tijdens de volgende eeuwen nam de stad actief deel aan de strijd tegen de Moren en zij verkreeg hiervoor de nodige autonomie. Het was het gemeentebestuur dat de bevolking regeerde.

De beslissende factor in deze periode was de belangrijke strategische ligging van de stad.

Tijdens bijna drie eeuwen was de stad een grensstad, eerst lag de grens verder weg maar uiteindelijk was de grens tussen de koninkrijken van Granada en Kastilië zeer nabij.

Daarom gaven de opeenvolgende koningen van Kastilië een groot aantal voorrechten en privileges aan de stad. Dat was om de ongunstige leefomstandigheden van een grensstad te compenseren;

In 1368 werd de stad geteisterd door een burgeroorlog tussen Pedro I van Kastilië en Enrique II van Trastámara.  Maar ook hier, zoals in Baeza, werden in 1506 op koninklijk bevel de muren en de torens van het Alcázar verwoest.

D. Opkomst

Door een combinatie van factoren zoals de geografische ligging, de controle over de wegen, zijn uitgestrektheid waarover men controle had en de aanwezigheid van een adel die steeds rijker werd was de basis waarin de pracht en praal van Úbeda tijdens de zestiende eeuw tot uiting kwam.

Na de verovering van Granada kwam er een economische ontwikkeling van de stad die gebaseerd was op de landbouw, de bosbouw en de waarde van de nieuwe gebieden waarover men de controle had verkregen.

De vrede en de economische ontwikkeling hadden een weerslag op de demografische ontwikkeling van de stad, het inwonersaantal steeg tot 18.000 inwoners.

De opkomst van de stad begint echt met Ruy López Dávalos, Enrique III en met Beltrán de la Cueva, gunsteling Enrique IV, die de bestuursfuncties in de stad uitoefenden.

Vooral opmerkelijk is de rol van Francisco de los Cobos, secretaris van keizer Carlos I. Met hen begint de smaak voor kunst in Úbeda op te komen en met de werken van de architect Andrés de Vandelvira en zijn opvolgers werd de stad volgebouwd met paleizen.

Zijn neef, Juan Vázquez de Molina, staatssecretaris van Carlos I en van zijn zoon, Felipe II, ging verder met de bouw van paleizen.

In 1526 kwam keizer Karel naar de stad en hij verzekerde de plaatselijke adel dat de reeds verleende gunsten en voorrechten behouden zouden blijven.

E. Neergang

Tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw begon het verval van de stad door de algemene crisis in gans Spanje.

Het gebrek aan een protectionistische politiek ten voordele van het ambachtswerk, de import van wol uit Burgos, de misoogsten, de stijgende prijzen van voedsel, de oneerlijke belastingdruk door de oorlogen, de corruptie, de macht van de kerk, de voortdurende rekrutering voor de oorlogen en de immigratie naar Amerika waren allemaal factoren die bijdroegen aan het verval van de stad.

Úbeda verloor de controle over het vervoer van hout aan kooplieden uit Sevilla.

Dit alles trekt kapitaal weg uit de stad en het maakt de sociale verschillen steeds groter.  Het vergroot de miserie van de meerderheid van de bevolking.

Na al het voorgaande kwam er dan nog de pest bij in 1585 en 1681 en ten slotte was er de aardbeving van Lissabon in 1755 die tal van vernielingen aanrichtte in de stad.

Het grote verval manifesteert zich vooral aan het begin van de Spaanse Successieoorlog. De buren van Úbeda beleven deze oorlog met een groter wordende intensiteit. De doorlopende bijdrage aan paarden, wapens, munitie, geld en troepen werd steeds groter en honger en ziektes beginnen steeds voelbaarder te worden. De belastingsdruk en de vrijstelling hiervan voor de rijkere klassen bracht de hongerige bevolking op 19 maart 1706 in opstand tegen de belastingsambtenaren.

Na de oorlog was Úbeda zeer veramd.

De gemeenteraad nam de beslissing om eigendommen van de gemeente te verkopen om dringende betalingen te kunnen doen aan zijn milities. De oorlog, de honger en de ziektes hadden hun invloed op de demografische stelling van de bevolking.

Later, tijdens de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog waren de Fransen in de stad aanwezig van 1810 tot en met 1813. De narigheid keerde terug en plunderingen waren aan de orde van de dag.

Deze situatie bracht Úbeda tot een staat van “economische ruïne”, er was geen vee meer om de velden te bewerken en er was geen zaadgoed om de velden in te zaaien.

Er was geen teken van economisch herstel tot op het einde van de negentiende eeuw toen men op kleine schaal aan de industriële revolutie begon.

F. Herstel

Men leed nog altijd onder de Carlistische oorlogen en zijn opeenvolgende revoluties die het leven in de stad verstoorden. De grondslagen van het liberalisme in Úbeda zijn gebaseerd op de dominantie in de politiek van de groot grondbezitters, de invoering van het koningschap en bepaalde electorale verstoringen.

Aan het einde van de negentiende eeuw herleefd de activiteit in de stad door de landbouw en de industrie. Tijdens de jaren twintig van de twintigste eeuw begon er in de stad een nieuwe renaissance. Er kwamen talrijke projecten, verbouwingen en verbeteringen in de stad.

Tijdens en na de burgeroorlog die Franco aan de macht bracht geraakte Úbeda terug in een depressie door al dat geweld, repressie en wraak maar langzaam geraakte de stad terug op het goede spoor en werd de stad een belangrijk commercieel en industrieel centrum op regionaal gebied maar met belangrijke groeimogelijkheden.

5. Monumenten en belangrijke plaatsen

De stad heeft 48 belangrijke monumenten en meer dan honderd andere belangrijke gebouwen en die zijn bijna allemaal in renaissance stijl gebouwd.

In Úbeda heeft men in de straten een mengeling van de pracht en de praal van de renaissance maar er is ook een zekere Moorse toets aanwezig. Deze vermenging maakte van Úbeda de tweede stad die de titel kreeg van Historische-Culturele Plaats. en dat gebeurde al in 1955.

In 1975 kreeg Úbeda de titel van Renaissance Stad van de Raad van Europa en ten laatste werd Úbeda in 2003 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. Dat gebeurde samen met Baeza.

In de stad zijn er negen gebouwen tot Nationaal Monument verklaard en dan nog eens negentien zijn van Cultureel Belang verklaard.

Alhoewel het patrimonium immens is moeten we zeggen dat zoals in veel andere historische steden niet alles bewaard is gebleven, er is ook veel verdwenen.

In ieder geval, er is in Úbeda nog voldoende overgebleven om er te kunnen genieten van de pracht en praal uit vervlogen tijden.

A. De Plaza Vázquez de Molina is het monumentale hart van Úbeda en dit is een model van stadsontwikkeling dat tot dan toe onbekend was in Spanje. Een aantal van de gebouwen bespreken we hierna:

B. De kapel van de Verlosser (Sacra Capilla del Salvador) is het symbool van Úbeda. Het is een renaissance kapel maar het is ook een grafkelder. Deze kapel is de meest ambitieuze onderneming van de private kerkelijke architectuur uit de Spaanse renaissance. Het is opgenomen op de lijst van de historisch-culturele monumenten in 1931.



Het is de grafkelder van het paleis van don Francisco de los Cobos en de kapel werd in 1536 gebouwd in zijn opdracht. Het is overduidelijk dat Cobos geloofde in de transcendentie en in het zich goed voelen in het algemeen.  Deze kapel was een poging om zich te verheffen door zijn faam, rijn rijkdom en zijn persoonlijke glorie boven het gewone volk.

Don Francisco de los Cobos leefde van 1477 tot 1547 en hij had veel macht en veel geld. Hij was niet alleen de secretaris van keizer Carlos V, maar ook Groot Commandeur van León, Adelantado de Cazorla, Heer van de dorpen Sabiote, Torres, Canena, etc, Heer van Santiago en tal van andere titels.

Het oorspronkelijke project is van Diego de Siloé, de grootste architect en beeldhouwer in Spanje voor een renaissance werk. Vanaf 1540 is het een realisatie van Andrés de Vandelvira.

De kapel werd ingewijd in 1559. De eerste kapelaan was Deán Ortega, voor wie het grote paleis gebouwd werd aan de linkerzijde van de voorgevel van de kapel.

Er is slechts een toren in centraal Europese stijl. De kapel, de universiteit en het hospitaal vormen een geheel. De stichter van de kapel heeft een brief geschreven naar Paulus III om toelating te vragen om samen met zijn kapel er een leerstoel in te richten die eenzelfde universitaire graad zou mogen afleveren zoals in Bologna, Parijs, Salamanca of Alcalá. Hij verkreeg de pauselijke toelating in 1541.

Op de voorgevel die ontworpen is door Diego de Siloë staan veel voorkomende thema's uit de renaissance kunst en hij vertoont grote gelijkenissen met de Puerta del Perdón in de kathedraal van Granada.

Boven de deur, tussen de beelden van Petrus en Paulus is de Verheerlijking van Christus te zien. Links en rechts van het portaal staan twee grote reliëfs die sarcofagen voorstellen waarop twee strijders en twee vrouwen het blazoen van Francisco de Cobos en van zijn vrouw Maria de Mendoza flankeren. De twee torentjes zijn twee steunberen in de vorm van vlammen die het eeuwige leven symboliseren.

Het interieur bestaat uit een schip waarvan het gewelf versierd is met goud. Het koor van Vandelvira in een ronde ruimte met een zestiende eeuws retabel in de vorm van een baldakijn. De muurschilderingen dateren uit de achttiende eeuw.

De sacristie bereikt men via een een hoekdeur. In de decoratie vinden we duidelijke Italiaanse invloeden en er zijn medaillons met gebeeldhouwde hoofden die angst, waanzin, moed, pijn, liefde en het geduld uitbeelden. In de loop der eeuwen is er in de sacristie nooit iets veranderd.

Een eigenaardigheid aan deze kapel is dat er nergens een afbeelding staat van Christus aan het kruis. Cobos wou Christus enkel afbeelden in zijn volle eer en glorie en niet in pijn en smart.

C. De collegiale kerk van de Heilige Maria van de Koninklijke Paleizen (Real Colegiata de Santa María de los Reales alcázares) is gebouwd op de overblijfselen van de grote moskee na de verovering van de stad door Fernando III, de Heilige.



Op 29 september 1233 kwam koning Fernando III samen met zijn hofhouding de grote moskee binnen om er de overwinning te vieren en om de moskee te veranderen in een kerk.

Vanaf 1259 droeg de de kerk de titel van Collegiale Grote Kerk en vanaf 1852 kreeg zij de titel van Grote Parochiekerk.

In deze kerk is er tijdens de bouw een gotische basis gelegd maar er zijn ook invloeden merkbaar uit de Moorse, de romaanse, de renaissance, de barok en de neoklassieke bouwstijl.

De uiteindelijke bouwstijl werd door de historicus Juan Pasquau omschreven als “ … niet te omschrijven artistieke vrijheid waarin alle stijlen strijden om er bovenuit te steken en er geen enkele de overhand krijgt...”. 

Volgens José Ángel Montero bestaat er een mysterieuze legende die van generatie op generatie verder doorgegeven wordt. Volgens deze legende is de kerk het slachtoffer van een oude vloek die uitgesproken werd door een vreemdeling en magiër en is de vloek gebaseerd op het boze oog. Volgens de vloek geraakt de kerk nooit af en men werkt aan deze kerk sinds 1396.

De kerk werd zwaar beschadigd tijdens de Spaanse burgeroorlog hoewel de kerk haar originele uitzicht niet verloor tot aan de beschadiging in 1986 door de architect Isicio Ruiz Albusac. Tot op heden is de kerk gesloten voor restauratie.

Dit gebouw heeft een mengeling van verschillende stijlen (gotiek, mudejar, renaissance, barok en neogotiek) en dat is de vrucht van een bouwperiode die zich uitstrekt van de dertiende tot de negentiende eeuw.

Omstreeks 1510, ten tijde van de bisschop van Jaén don Alonso Suárez de la Fuente del Sauce begon men met de bouw van een voorgevel en daarvoor brak men een deel van de muur af tussen de twee grote torens. De werken werden in 1645 beëindigd en zij waren uitgevoerd volgens de plannen van Pedro de Vera, uitgezonderd de fries en het reliëf van de Aanbidding van de Herders dat van de hand is van Luis de Zayas.

Aan de buitenzijde heeft de kerk een uniforme architectuur alhoewel het een eclectisch en uniek werk is. De voorgevel werd gebouwd tijdens het eerste deel van zeventiende eeuw en is in feite het enige deel van het gebouw dat beantwoord aan het voorafgaand plan. In de gevel is het centrale motief de “Aanbidding van de Herders” De gevel heeft twee klokkentorens die gebouwd werden in de negentiende eeuw na de verwoesting van de gehavende toren van de oude moskee.

De kloostergang is een werk in gotische stijl uit het einde van de vijftiende eeuw en ligt op de plaats waar vroeger de binnenplaats van de moskee lag.

Onder een reeks kruisgewelven zijn er binnenin 16 kapellen, begraafplaatsen van bisschoppen en edelen uit de stad.

In de oostelijke gevel van de kerk is er de Poort van de Troost en die heeft een grote sentimentele waarde voor de meerderheid van de inwoners van de stad.  Door deze poort komt de “Broederschap van Onze Vader Jezus van Nazareth” naar buiten op de vrijdag van de Goede Week.

De kerk werd gesloten in 1983 om verder te gaan met de restauratie omdat de buiging van de pilaren de kerk volledig zou kunnen vernielen.

Vandaag, meer dan 25 jaar na het begin van de werken is de kerk nog altijd gesloten en verloor hij een groot deel van zijn interieur.

De eerste architect, Isicio Ruiz Albusac begon met de verwijdering van de gipsen barokke gewelven omdat hij dacht dat daar de oorzaak lag. Het maakte de kerk nog meer onstabiel.

Tot op heden gaan de restauratie werken door maar men heeft ondertussen de oorspronkelijke structuur en het uitzicht van de kerk volledig veranderd.

D. Het paleis Vázquez de Molina dat beter bekend is onder de naam Palacia de las Cadenas (Palacio Vázquez de Molina, ofwel Palacio de las Cadenas is een in het oog springend paleis en het is een van de meest luisterrijke paleizen van gans Spanje. Het is een burgerlijk paleis in renaissance stijl.

Het is een Nationaal Monument en het is sinds 1850 de zetel van het gemeentebestuur. In het gebouw is ook een informatiecentrum ingericht over de renaissance en dan meer bepaald de renaissance in Úbeda.

De architect die de werken in het tweede deel van de zestiende eeuw begon was Andrés de Vandelvira. Hij bouwde dit paleis in opdracht van Juan Vázquez de Molina, neef van Francisco de los Cobos.

Na het overlijden van de eigenaar die geen nakomelingen had werd het gebouw een dominicanen klooster en het kreeg de naam van “Madre de Dios de las Cadenas". Het gebouw werd verbouwd om aan zijn nieuwe functie te kunnen voldoen en men bracht een wonderbaarlijke wand decoratie aan die men ook vandaag nog gedeeltelijk kan bekijken.

Het is een paleis in renaissance stijl en de naam “ketenen” is afkomstig van de kettingen tussen de zuilen van de hoofdingang.

Er zijn drie delen in de ruime gevel die een duidelijke Italiaanse invloed met zich meedraagt. De gevel combineert de klassieke architectonische stijlen (ionisch en korintisch) met Andalusische elementen en we zien een duidelijke invloed van Esteban Jamete in de atlanten en kariatiden die de bovenverdieping meer allure geven. Aan de beide uiteinden vinden we twee elegante daklantaarns.

De binnenplaats is in een klassieke mediterrane stijl met zijn interne verdeling van de bijgebouwen. In het achterste gedeelte is er in de twintigste eeuw een nieuwe toegang gemaakt die toegang geeft tot het gemeentehuis. De toegang wordt bewaakt door twee mooie stenen leeuwen Er is nog een zonne uurwerk in 1604 in de muur aangebracht.

E. Het Paleis van Deken Ortega (Palacio del Deán Ortega) staat ook bekend onder de naam Palacio del Marques del Donadío. Het is een van de belangrijkste renaissance paleizen in de stad en het staat op de lijst van Cultureel Belang.

Momenteel is het een Parador, dat is een hotel in een historisch gebouw.

Het is een gebouw in renaissance stijl en het werd gebouwd door de architect Andrés de Vandelvira voor Francisco Ortega Salido, deken van de kathedraal in Málaga.

Vanaf 1929 is er in het gebouw een “Parador Nacional de Turismo” en het is daarmee een van de oudste van Spanje.

Het gebouw heeft een rechthoekig vloeroppervlak zoals de meeste van de paleizen in de stad.

De binnenplaats heeft een intieme sfeer, elegant en vierkant en er is een portiek met twee hoogtes. Hij herbergt enkele slanke kolommen van een grote schoonheid die een vermenging is van Nasriden en renaissance kunst.

De voorgevel is gericht op het zuiden en hij is horizontaal verdeeld in twee delen. De voornaamste toegang heeft trappen en is bewaakt door twee dorische zuilen die op voetstukken staan. Daar bovenop staan twee engelen die de wapens van deken Ortega dragen.

Verder zij er hier op het plein het Paleis van Marqués de Mancera dat ook op de lijst van Cultureel Belang staat. Het paleis heeft een renaissance gevel die bekroond is met een rechthoekige toren. Momenteel is het een klooster. Verder staat er een voormalige graansopslag (Antiguo Pósito) dat nu een politiekantoor is, het Huis van Juan de Medina, de Gevangenis van de Bisschop (Cárcel del Obispo) waar de kloosterlingen hun door de bisschop opgelegde straf moesten uitzitten en de Venetiaanse Fontein (Fuente veneciana) van Francisco de los Cobos.

Binnen de muren

Als we links naast de Kapel van de Verlosser gaan is er hier een uitkijkpunt waar we de Sierras de Cazorla, Mágina kunnen zien en bij helder weer zien we zelfs de Sierra Nevada.

F. De Plaza del Primero de Mayo (Plein van de Eerste Mei) of zoals het beter bekend is Plaza del Mercado (Marktplein) was tijdens de Middeleeuwen het voornaamste plein in de stad.

Vroeger werden er hier de jaarmarkten, de ketterverbrandingen, de terechtstellingen enz gehouden.

Het plein werd heraangelegd tijdens de negentiende eeuw en men treft hier enkele belangrijke gebouwen aan.

G. De kerk van Sint Paul (Igelesia de San Pablo) is een van de oudste kerken van Úbeda. Zij werd gebouwd tijdens de Visigotische periode. Het werd tot Nationaal Monument verklaard in 1926. Don Alonso Suárez de la Fuente del Sauce leidde een programma van renovatie en verbetering. Het ganse gebouw is verrijkt met nieuwe renaissance.

De voorgevel is in romaanse stijl. De gevel aan de noordzijde met uitzicht op het plein heeft gotische spitsbogen en is zelf in gotische Isabellastijl.
 
De kerk heeft een toren en een fontein die aanleunt aan de voorgevel die ook in renaissance stijl uit de zestiende eeuw dateert. Er zijn hier twee kleurige tegels uit keramiek.

Binnenin zijn er drie beuken en een veelhoekige apsis met kruisgewelf in laat-gotische stijl.  Er zijn twee interessante begrafenis kapellen met plateresk werk. Een van de kapellen heeft een hekwerk met een wonderlijke voorstelling van Eva die uit Adams rib komt.

H. Het oude gemeentehuis (Ayuntamiento Viejo) is vandaag de dag het conservatorium. Het gebouw werd gebouwd in de zeventiende eeuw. De benedenverdieping heeft een portiek met drie rondbogen en gekopelde zuilen. De bovenverdieping heeft zes kleine rondbogen.

I. Het klooster van San Miguel (Convento de San Miguel) is opgenomen op de lijst van Cultureel Belang: Dit is een klooster van de Ongeschoeide Karmelietessen en het Oratorium San Juan de la Cruz, waar de mysticus aankwam op 27 september 1591 en er overleed op 14 december van hetzelfde jaar.

J. De Poort van Losal (Puerta de Losal) is een poort in mudejarstijl en heeft een dubbele hoefijzer-vormige boog. Zij dateert uit de veertiende eeuw.

Er zijn nog tal van andere monumenten in Úbeda te vinden die zich noordelijk van de Plaza Vázquez de Molina bevinden en dat zijn:

K. Het Paleis van Vela de los Cobos (Palacio de los Vela de los Cobos) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Het gebouw is ontworpen door Andrés de Vandelvira. De gevel in renaissance stjil heeft een elegante zuilengalerij die verlengd is met hoekbalkons waarin twee witte marmeren zuilen zijn verwerkt.

L. Het Paleis van de Graaf van Guadiana (Palacio del conde de Guadiana) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang..en is gebouwd in maniëristische stijl. Er is een toren met vier verdiepingen waar hoekbalkons in zijn. Het gebouw is gerestaureerd en het is nu een eerste vijf sterren hotel van de provincie.

M. Het Huis van de Torens (La Casa de las Torres) is een nationaal monument. Het is een Middeleeuws paleis dat gebouwd werd voor opperbevelhebber Ruy Lope Dávalos. Het gebouw heeft een mooie platereske toegang die geflankeerd is door twee torens. Binnenin het gebouw is er een patio in hispano-renaissance stijl. Momenteel is er een kunstschool gevestigd..

N. Het Klooster van Santa Clara (Convento de Santa Clara) is een Nationaal Monument. Het is een van de oudste kloosters in de stad en het is bezet door de Clarissen. Het heeft een voorgevel in barokstijl en er is een mudejar interieur. Er zijn twee kloostergangen, de in in mudejar stijl en de andere in renaissance stijl. Er is een kerk in gotische stijl met met barokke versieringen.

O. De Kerk van San Pedro (Iglesia de San Pedro) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang.. Deze kerk is van oorsprong gebouwd in romaanse stijl maar er zijn toevoeging in renaissance stijl.

P. De Kerk van San Lorenzo (Iglesia de San Lorenzo) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang.  Er is een opvallende klokkentoren de bestreken is met gips. De kerk is gesloten voor de eredienst en zij is in renaissance stijl gebouwd.

Q. De Kerk van Santo Domingo (Iglesia de Santo Domingo). De kerk heeft een gevel in plateresco stijl. Het kerkschip is gesloten door een prachtig met vakken versierd plafond in mudejar stijl.

R. Het Paleis van Francisco de los Cobos (Palacio de Francisco de los Cobos) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang.Dit paleis heeft een verrassend eenvoudige gevel en het maakt deel uit van het gedeelte van de stad dat op de Werelderfgoed lijst staat. Het paleis had te leiden onder plunderingen en een brand in de negentiende eeuw.  Die twee gebeurtenissen maakten het paleis onbewoonbaar en het grootste deel van het interieur werd vernield of verdween. De binnenplaats en de tuin van het paleis liggen op een oude Hebreeuwse begraafplaats. Momenteel is men het gebouw aan het restaureren om er later de zetel van de UNED (universiteit) in onder te brengen.

S. Paleis van de Markies van Rambla is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. De gevel is ontworpen door Andrés de Vandelvira en er staan twee krijgers op die het wapenschild van de vroegere eigenaars dragen. Er is een mooie binnenplaats en een mooie binnentuin. Momenteel is er een hotel in het gebouw gevestigd.

Er zijn nog tal van andere monumenten in de oude stadskern zoals: de Joodse Huizen in de wijk van het Alcázar, Casa de los Carvajales, Casa de los Salvajes, Palacio de los Manueles, Casa del Blanquillo, Palacio de los Morales, Casa de la Luna y el Sol, Palacio de los Orozco, Palacio de los Torrente, Palacio de los Porceles, Casa de la Tercia en het Palacio del Marqués de Contadero.

T. De Vesting (El Alcázar) Na de vernietiging van het oude kasteel als straf tegen de adel van Úbeda bleef er een belangrijke archeologische vindplaats met overblijfselen uit de prehistorie.

De vesting vormde een tweede ommuurde ruimte en het was een wijk in de stad waar de aristocratie en de militairen verbleef. De vesting herbergde voornamelijk de ridders met hun schildknapen die verantwoordelijk waren voor de verdediging van de stad.

Afgaande op de geschreven getuigenissen was deze vesting een echt fort waar een groot aantal torens in opgenomen waren. Een van die torens was in die tijd uitgegroeid tot iets mythisch, het was de Ibiut toren.

U. De muur van Úbeda is een Nationaal Monument. Typisch voor de strategisch-defensieve belangrijkheid van de muur is zijn indrukwekkend voorkomen, zelfs tot op vandaag de dag.

Hij is voor een groot gedeelte bewaard gebleven inclusief drie van de poorten en een aantal torens.

De voornaamste toegangspoorten die bewaard zijn gebleven zijn de poort van Losal die in mudejar stijl gebouwd is en die dateert uit de veertiende eeuw. Vervolgens hebben we dan nog de poort van Granada en de poort van Santa Lucia die vermoedelijk ook de poort van de Ibiut toren was.

Wat de torens betreft hebben we de Torre de las Arcas, een uitkijktoren met een achthoekige vorm waar de schatkamer van de gemeenteraad was. Dan is er nog de Torre del Reloj op de Plaza de Andalucía met een mooie overkapping. De toren is in renaissance en hij bevat de klokken van de stad.

6. Buiten de muren

Buiten de stadsmuren zijn er nog een aantal belangrijke monumenten.

A. De kerk van San Nicolas (Iglesia de San Nicolás) is een Nationaal Monument. Het is een mooie kerk en zij is gebouwd in Andalusische gotiek maar zij trekt weinig bezoekers buiten de gewone bezoekers. 



Er zijn twee portalen, een gotisch en het andere in renaissance stijl dat een werk is van Andrés de Vandelvira. Binnenin is de kapel van de dekaan met een portaal in plateresco stijl.

B. Het Hospitaal van Santiago (Hospital de Santiago) is een Nationaal Monument en een symbool van de stad. Het gebouw is een hoogtepunt in het werk van Andrés de Vandelvira, hij bouwde dit in opdracht van Diego de los Cobos, de bisschop van Jaén. Momenteel is het een multifunctioneel centrum voor congressen en tentoonstellingen.



Geflankeerd door vier hoge torens is er de kapel met schilderijen van Pedro de Raxis en Gabriel Rosales. De trap, de sacristie, de consitoriekamer, de zijtuin en de grote binnenplaats hebben kolommen van wit marmer uit Carrara. In de achterste binnenplaats maakte men een tuin.

C. De Kerk en het Klooster van Trinidad (Iglesia y Convento de la Trinidad) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Het is van de weinige gebouwen in barokstijl in de stad..

D. De Kerk van Isidoro (Iglesia de San Isidoro) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Het was een Arabische vesting of een fort om de westelijk stadsmuur te verdedigen.

Er zijn gotische portalen en het interieur was een renaissance regeling van Alonso Barba, leerling van Vandelvira. We onderscheiden onmiddellijk het monumentale dwarsschip.

Op de plaats van de klokkentoren is er een toren die talloze malen gerestaureerd is. In 1755 heeft een aardbeving ernstige schade aan de toren aangebracht en in 1848, onder de dreiging van een volledige teloorgang werd er beslist om een nieuwe toren te bouwen..

E. Paleis van de Markies van Bussianos (Palacio del Marqués de Bussianos) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang.. Dit is een majestueus paleis in maniëristische stijl. Er zijn Indiaanse motieven aangebracht en er is een grote binnenplaats.

F. Plein van de Stieren, de Arena van San Nicasio (Plaza de Toros, Coso de San Nicasio) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Dit is een van de oudste arena's van Spanje en hij dateert uit 1857. Zijn buitenzijde is niet helemaal rond omdat hij geïntegreerd is in de woonwijk. De arena draagt ook de naam van Arena van San Nicasio omdat er tijdens de bouw van de arena stenen gebruikt zijn uit het gelijknamige klooster.

G. Oud Convent van Victoria (Antiguo convento de la Victoria) met een prachtige binnenplaats. Momenteel is het de zetel van de belastingen.

H. Gemeentelijke Markt voor Levensmiddelen (Mercado Municipal de Abastos) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Tijdens de jaren 30 werd het gebouwd door Luis Casanova naar een model van het rationalisme.

I. Het Postgebouw (Edificio de Correos) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Het is gebouwd in 1964 door Alejandro de la Sota..

Andere monumenten buiten de muren zijn de Kerk van San Millán (in de middeleeuwse krottenwijk, het plateresco huis van de Calle Gradas, de gevel van het Huis van Caballerizo Ortega, het oude Casino en de kapel van Paje.

7. Buiten de stad

A. De Brug Ariza (Puente Ariza) is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. De brug loopt over de rivier Guadalimar en zij is ontworpen door Andrés de Vandelvira. Momenteel is zij nog zichtmaar maar de mogelijkheid bestaat dat zij gedoemd is om te verdwijnen in het stuwmeer van Giribaile.

B. De Archeologische zone van Úbeda la Vieja is opgenomen op de lijst van het Cultureel Belang. Er zijn hier een groot aantal overblijfselen gevonden uit de Iberisch-Romeinse periode. Meer bepaald gaat het ook over een deel van de muur uit de vierde eeuw.
Zelfs zonder te graven weten we dat er hier al veel geplunderd is. Aan de voet van het oude Úbeda is er de oude brug, het is een middeleeuwse brug over de Guadalquivir, die gebouwd is over de de resten van de oude Romeinse brug. Dit was de oude Romeinse weg “Cástulo” die naar Granada en Baza ging.

Andere monumenten zijn de Kerk van San Bartolomé (Iglesia de San Bartolomé), de Toren van Garci Fernández (Torre de Garci Fernández), de dolmen van Encinarejo (Dolmen del Encinarejo) en het Heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe (Santuario de Nuestra Señora de Guadalupe).

Helaas zijn er tijdens de donkere decennia van de twintigste eeuw een aantal waardevolle monumenten vernietigd of zijn ze steen per steen overgebracht naar andere steden zoals het mooie Palacio de los Aranda” dat momenteel in Sevilla staat.

8. De website: