Toerisme in Spanje, ja natuurlijk!
De geschiedenis van Spanje

  1. Feniciërs, Grieken en Carthagen
  2. De Romeinse overheersing
  3. De Visigothische overheersiing
  4. De Mohammedaanse verovering
  5. De eerste taifa koninkrijken
  6. De tweede taifa koninkrijken
  7. Moderne tijden
  8. De huidige tijd
  9. XX eeuw
  10. XXI eeuw
1. Feniciërs, Grieken en Carthagen

De oudste bewijzen van menselijk leven in het huidige Europa zijn gevonden in Spaanse grot van Atapuerca. De fossielen die daar gevonden zijn dateren van ruwweg geschat 780,000 jaar geleden. De eerste moderne mensen (cro-magnons) kwamen op het Iberisch Schiereiland uit het noorden van over de Pyreneeën ongeveer 35.000 jaar geleden. De meest duidelijke overblijfselen van prehistorische nederzettingen zijn de bekende grotschilderingen in het noorden van Spanje, in Altamira welke gemaakt werden ongeveer 15.000 jaar voor Christus.



Schilderingen in de grot van Altamira

De zeevarende Feniciërs, de Grieken en de Carthagers vestigden nederzettingen aan de kusten van de Middellandse Zee en bouwden gedurende enkele eeuwen handelsbetrekkingen uit.

Op dat moment bestond er aan de Spaanse Atlantische kust een mythologische koninkrijk Tartessus. In het hedendaagse Spanje moet het ongeveer aan de Andalusische provinciehoofdstad Huelva gelegen hebben. Tartessus was een hoog ontwikkelde stadstaat en zij beschikte over onuitputtelijke bronnen aan goud, zilver en koper.

Rond het jaar 1100 voor Christus stichtten de Feniciërs de stad Gadir, het huidige Cadiz. De stichting van Cadiz was in het jaar 1104 voor Christus.

Op hun beurt (in de negende eeuw) stichten de Grieken kolonies, zoals Emporion = heden ten dage Empúries, op de oostkust van Iberia, naam die zij gaven aan het schiereiland, denkelijk naar de rivier Iber, Ebro in het Spaans. De Feniciërs bleven aanwezig op de zuidkust.

Tussen de Eerste (264 – 241 voor Christus) en de tweede (218 – 201 voor Christus) Punische oorlogen die tussen Rome en Carthago gingen, zijn de Carthagers het schiereiland binnen gevallen. Hun belangrijkste kolonies waren het eiland Ibiza en Cartagena, een naam welke verwees naar het nieuwe Cartago. Zij bouwden hun invloed op in de oude Fenische steden zoals Cádiz en Málaga.

2. De Romeinse overheersing

De plaatselijke volkeren welke de Romeinen ontmoetten ten tijde van hun invasie waren de Iberiërs, welke het zuid westelijke deel tot de noord oostelijke deel van het schiereiland bewoonden en de Kelten welke het noord en nood westelijke deel van het schiereiland bewoonden. In het centrum van het schiereiland kwamen de twee volkeren met elkaar in contact en ontstond er de kelto-iberische cultuur.



Keizer Adrianus

Romeins Iberia was verdeeld in Hispania Ulterior en Hispania Citerior tijdens de Romeinse republiek en tijdens de periode van het Romeins Keizerrijk in Hispania Tarraconensis in het noord oosten, Hispania Baetica in het zuiden (Andalusië) en in Lusitania in het zuid westen (het huidige Portugal). In het zuiden, in het huidige Andalusië, was de romanisering het sterkst. De 2 andere provincies vielen onder de keizerlijke macht en Andalusië viel onder de verantwoordelijkheid van de Romeinse senaat. Om veteranen van de burgeroorlogen een stuk grond te bezorgen krijgen veel steden een voorkeursbehandeling. De romanisering gaat onverminderd voort, Romeinse soldaten krijgen grond en huwen met Iberische vrouwen.

Na het verslagen Carthago verdwenen was, begon Rome een langzame bezetting, welke zij ongeveer 200 jaar vol hielden. De eerste tientallen jaren had Rome het hoofd te bieden aan een lange belegering van de stad Numancia, gelegen aan de oever van de Duro, in de buurt van het huidige Soria. De revolte duurde 30 jaar en stond onder de leiding van de Lusitaniër Viriato.

Na de dood van Viriato, in 139 voor Christus, kwam de strijd van de pre romaanse dorpen tegen Rome langzaam ten einde, alhoewel deze revoltes nooit volledig gestopt werden tot aan de tijd van keizer Augusto met de onderwerping van de Cantabriërs en Asturiërs.

De bezetting kwam op een hoogtepunt met de romanisering en zijn conversie tot een provincie met de naam Hispania. Voor de eerste maal verschijnt de naam en Tito Livio in 59 voor Christus spreekt van Hispania en hispani .

De inwoners van Hispania namen de Romeinse cultuur over, de taal en de wetten, zij verkregen een grote belangrijkheid in het keizerrijk. Zij leverden zelfs 3 keizers, Trajanus, Adrianus en Theodosius. Bovendien was de grote filosoof Lucio Anneo Séneca in Hispania geboren.

De Romeinen hebben zeer veel bouwwerken en monumenten achter gelaten. Zij legden een uitgebreid wegennet aan, o.a. De aquaducten in Mérida, de Puente del Diable in Tarragona en de Los Caños de Carmona bij Sevilla.

Overal werden theaters en renbanen aangelegd, resten kan men nu nog bewonderen in Tarragona, Mérida, Itálica en Ronda.

3. De Visigothische overheersing



Visigotisch koninkrijk

In het jaar 409 vielen Sueven, Alanen en Vandalen het Iberisch schiereiland binnen. Zij verdeelden de westelijke gebieden (het huidige Portugal) tot aan Madrid tussen hen.

Een paar jaar later, in 412 stichtten de Visigoten hun koninkrijk in Toulouse (Frankrijk) en breidden hun invloed geleidelijk uit op het Iberisch schiereiland, dit was ten koste van de Alanen en de Vandalen.

In 416 kwamen de Visigoten onder de leiding van Athaulf naar Hispania als geallieerden van Rome, verdreven de Alanen en de Vandalen van het schiereiland naar Noord-Afrika en zetten de Sueven vast in Galicia. Onder Alarik II werd de Visigotische bezetting geconsolideerd.

Het koninkrijk van de Visigoten stichtte een hoofdstad, verantwoordelijk voor zowel wereldse als religieuze zaken in Toletum, het huidige Toledo.

Het eerste idee van een staat met de naam Hispania/España kwam er onder het koninkrijk van de Visigoten. De Visigoten streefden naar een territoriale eenheid van gans Hispania en ze zijn er in geslaagd na de opeenvolgende nederlagen van Sueven, Basken en Byzantijnen.

De eenheid zou er komen door de religieuze verzoening tussen katholieken (koning Reccared werd katholiek) en de aanhangers van het arianisme. Deze aanhangers steunden op de Gotische bijbel vertaling van de missionaris Arius. Deze loochende de goddelijkheid van Christus, volgens Arius was Christus niet Gods zoon maar had hij slechts goddelijke eigenschappen.

De raad in Lerida perkte de macht in van de bisschoppen en droeg de macht over hen over aan Rome. Dat was een orgaan dat bijeen kwam in vergadering, door de koning en de bisschoppen van over het ganse land , alle zaken regelde van burgerlijke en godsdienstige zaken ten einde een wetgeving te maken, geldig voor het ganse land. De raad was ook verantwoordelijk voor het leger.

De Visigoten brachten het feodale systeem naar Spanje, zij kregen soldaten van hun vazallen in ruil voor bescherming. Het zwaartepunt van hun leger waren hun slaven, verkregen op het platteland.

De impact van de Visigoten op de plaatselijke samenleving was niet groot. Er was bijvoorbeeld geen vermenging met de plaatselijke bevolking. Het enige zichtbare effect was de ontvolking van de steden ten voordele van het platteland wat er ook voor zorgde dat tijdens de grote hongersnood in Frankrijk en Duitsland de Visigoten het er nog goed van af brachten.

De desinteresse voor de plaatselijke bevolking was ook de oorzaak van hun nederlaag tegen de Moren, zij konden niet rekenen op de loyaliteit van hun onderdanen.

Na de dood van koning Witiza werd Roderik uitgeroepen tot koning in de plaats van de wettige erfgenaam van Witiza, zijn zoon Agila. De aanhangers van Agila roepen uiteindelijk de hulp in van de Moren.

4. De Mohammedaanse verovering


Het Arabisch voor al-Andalus


In het jaar 711 kwam een deel van het Omajjaden leger onder de leiding van Tariq ibn-Ziyad Spanje binnen op vraag van enkele twistzieke Visigotische koningen. Na de overwinning van de Arabieren in de slag van Guadalete op koning Roderic welke daar ook stierf op 19 juli 711, begon de invasie van de Moren op het Iberisch schiereiland,

Tariq's bevelhebber Musa bin Nusair stak de Straat van Gibraltar over met belangrijke versterkingen. Tegen 718 hadden zij het grootste deel van het Iberisch schiereiland in hun bezit. Zij stichtten er een emiraat of provincie, genaamd al-Ándalus en de hoofdstad kwam in Cordoba.

De vooruitgang van de Arabieren ging snel. In 712 valt de Visigotische hoofdstad Toledo. Vanaf toen, gingen zij de richting van het noorden uit en alle steden gaven zich over of werden veroverd. In 716 controleerden zij het ganse schiereiland, behalve in het noorden waar de Visigoten zich bleven verzetten gedurende een aantal jaren, tot in 719. Vanaf dan, stuurden de Arabieren hun troepen naar de andere zijde van de Pyreneeën, tegen het Karolingisch koninkrijk, waar zij verslagen werden door Karel Martel in 732 bij Tours.

Na de val van het koninkrijk van de Visigoten controleerden zij het schiereiland tot aan de bergketen in Cantabrië. Aan de andere zijde van de bergketen waren enkel de Asturische, Baskische en Cantabrische dorpen, voor de Arabieren hadden zij weinig belang. Voor deze dorpen wilden de Arabieren geen grote militaire verliezen lijden. Veel inwoners van het schiereiland bekeerden zich tot de islam om zo hun macht en rijkdom te behouden.

Kalief Al-Walid I gaf grote aandacht aan de uitbouw van zijn leger en zijn vloot. Hij liet de grootste vloot bouwen uit het tijdperk der Omajjaden. De vloot was de kracht voor de invasie van het Iberisch schiereiland. De heersers over al-Andalus werden verheven tot de rang van Emir door de Omajjaad Kalief Al-Walid I in Damascus.

 
Bladzijde uit de koran ten tijde van al-Andalus

Na de val van de Omajjaden in Damascus en de komst van de nieuwe Abbasidische dynastie in Bagdad slaagden sommige leiders van de Omajjaden erin om naar al-Andalus te vluchten en stichtten er het onafhankelijke emiraat van Cordoba onder de leiding van Abd ar-Rahman I.

Hij kon de leiding op zich nemen doordat de Moren, Arabieren en Berbers uit de eerste bezettingsmacht onderling slaags raakten. Na de dood van Abd ar-Rahman braken deze twisten opnieuw uit en daardoor konden de christelijke koninkrijken in het noorden overwinningen boeken op de Moren.

De islam was nu de officiële godsdienst in Spanje maar de christenen en de joden mochten hun godsdienst blijven beoefenen zolang zij hun belastingen maar betaalden.

Veel christelijke landeigenaars bekeerden zich daarom tot de islam en werden muladies genoemd. De arbeiders die zich niet bekeerden tot de islam werden mozárabes genoemd.

In 718, in het huidige Asturië is er een edelman Pelayo die in opstand komt tegen de Arabieren. De opstand mislukt en hij wordt gevangen genomen. In 722 is hij vrij en vindt de slag van (wat wij nu kennen) Covadonga plaats. Deze slag beschouwen wij nu als de stichting van het koninkrijk van Asturië en dit is het begin van de Reconquista of het begin van de herovering van het schiereiland door de christenen.

In het noordoosten van het schiereiland in de Gotische tijd zijn de goten gevlucht naar het koninkrijk van de franken en ze hebben er om hulp gevraagd. Daarom heeft Keizer Karel een aantal militaire campagnes ondernomen met de bedoeling om een gebied in te stellen van militaire detente, beter bekend als een mark.

De Spaanse mark werd opgericht in het begin van de 9° eeuw om de indringing door de Arabieren in het koninkrijk van de Franken te verhinderen. Het Spaanse grondgebied werd opgedeeld in graafschappen waar edelen van Frankische of Gotische afkomst de koning vertegenwoordigden.

In de 10° eeuw, Abd al-Rahmán III veranderde al-Ándalus in een kalifaat onafhankelijk van Damascus, met politieke en religieuze autonomie en noemde zichzelf de “prins der gelovigen”. Hij pacificeert zijn koninkrijk maar versterkt de militaire provincies van Toledo, Badajoz en Zaragoza.

Het is een periode van een culturele kracht, dankzij de ontdekkingen in de wetenschap, de kunsten en letterkunde, met een speciale aandacht voor de ontwikkeling van de steden. De meest belangrijke steden zijn: Valencia, Zaragoza, Toledo, Sevilla en Cordoba. In 936 begint men met de bouw van Medina Azahara in Cordoba.

Tijdens de 10° eeuw, onder al-Hakam II, was Cordoba de belangrijkste stad van West-Europa, met 500.000 inwoners en was Cordoba het grootste culturele centrum van die tijd. Tegen het einde van de 10° eeuw was het aantal inwoners opgelopen tot ongeveer 1.000.000 en telde 80.000 winkels en werkplaatsen. Ter vergelijking: de christelijke hoofdstad Léon telde 7.000 inwoners en een telde een tiental winkels.

In de bibliotheek van de universiteit van Cordoba stonden op dat moment 400.000 boeken.

In 978 grijpt Al-Mansoer de macht en de kalief Hisham II vervult nog een symbolische functie. Al-Mansoer vestigde een soort militaire dictatuur en drong met zijn campagnes tegen de christenen ver door tot in het noorden. In 987 bereikte hij Barcelona en 10 jaar later Santiago de Compostela. Hier nam hij de klokken van de kathedraal mee en hing ze op in de moskee van Cordoba waar ze 200 jaar later door Ferdinand III werden terug genomen. Na de dood van Al-Mansoer in 1002 komen de eerste tekenen van een burgeroorlog weer dichterbij. De opstand van de adel uit Cordoba en de verwoesting van de Medina Azahara zetten een punt achter de Omajjaden dynastie. Provincies worden onafhankelijk en er ontstaan autonome koninkrijken.

5. De eerste taifa koninkrijken

Deze koninkrijken worden de Taifa- (groep of factie) koninkrijken genoemd. We zijn dan in het begin van de 11° eeuw.
In het begin van deze koninkrijken (1009 – 1110) spreken we ook van de Almoravidische overheersing. De indeling van deze koninkrijken verloopt etnisch, de Berbers beheersen de kust van de Guadalquivir tot Granada, de Arabieren heersen in Cordoba en Sevilla.

In het begin sluiten de taifa koningen voortdurend bondgenootschappen soms met en soms tegen hun buren, soms zelfs met christelijke koningen. Deze christelijke koningen profiteren van de vijandige zwakte en heroveren belangrijke steden, Alfonso VI verovert Toledo in 1085 en er volgen harde christelijke campagnes tegen Sevilla en Badajoz.

Mohammed II, koning van Sevilla voelt zich bedreigd en roept de hulp in van de Almoraviden die op dat moment Noord-Afrika controleren. Yusuf Ibn Tashfin komt ter hulp, steekt de Straat van Gibraltar over en plaatst alle taifa koninkrijken terug onder een gezag.

Uit de expedities van Alfonso I blijkt de zwakke positie van de Almoraviden en in Noord Afrika is de Almohadische beweging in opkomst.

6. De tweede taifa koninkrijken

Dat is het begin van de tweede taifa-koninkrijken (1144-1170) en de almohadische overheersing. Na de invasie van de Almohaden onder leiding van Abd al-Moemin bezetten zijn troepen Marrakech, Tarifa en Algeciras. Het christelijk verzet wordt overwonnen en zij beginnen aan de verovering van het hele zuidstuk van het Iberisch schiereiland en Sevilla is opnieuw de hoofdstad van al-Andalus. Zij bouwen er tevens een schitterende moskee waarvan de minaret, de Giralda, als twee druppers water lijkt op die van de Koutubía moskee in Marralech.

De slag bij Alarcos in 1195 waarbij al-Mansoer de Castilliaanse koning Alfonso VIII verslaat is de laatste grote zege van het Almohadische leger.

Deze triomf luidde de ondergang in van de Moorse bezetters, in 1212 eindigde deze bezetting met de Slag van Las Navas de Tolosa, de legers van Castillië, Aragón en Navarra verjoegen de Almohaden definitief.

Terwijl de Almohadische macht op zijn laatste benen loopt kan Mohammed I van de Banu Nasr ofwel de Nasriden dynastie de gebieden van Granada, Malága en Almeria verenigen en er een koninkrijk stichtten dat tweeënhalve eeuw zal blijven bestaan.

Onder Ferdinand III veroveren de christenen Cordoba in 1236 en daarna, in 1248, het ganse westelijke deel van Andalusië.

De Nasriden profiteren van de vlucht van de bevolking die verjaagd worden door de christenen en richten een dichtbevolkt en zeer productief koninkrijk op. De 23 koningen die hier op de troon hebben gezeten hebben allemaal te maken gekregen met broedermoorden en het rijk gaat uiteindelijk ten onder aan de twisten tussen twee belangrijke families.

Tussen 1284 en 1469 gaat de christelijke herovering zeer traag maar onder Juan II en Enrique IV volgen de zeges zich op.

Het huwelijk in 1469 tussen Isabella van Castillië en Ferdinand van Aragón betekent het begin van de vereniging van de christelijke koninkrijken.

Van 1482 tot 1492 is er een groot offensief tegen het Nasriden koninkrijk en de ene na de andere stad moet er aan geloven: Ronda (1485), Málaga (1487), Baza (1489) en Almeria en Guadix (1489),

Bij de eerste poging om Granada in te nemen was het Moorse koninkrijk verwikkeld in een burgeroorlog. Er bestonden 2 partijen en de tegenstanders waren de koning Muley Hassan die verliefd werd op een andere vrouw, Zoraya. Hij maakte haar ook koningin in plaats van zijn wettige vrouw, Aixa. Aixa vluchtte naar Guadix met mede nemen van haar minderjarige zoon Abu Abdi-Llah. Deze zoon werd door de Spanjaarden Boabdil genoemd en werd erkend als de volgende koning.

In 1490 dachten Isabella en Ferdinand dat ze Granada veroverd hadden maar toen kwam Boabdil in opstand. Deze opstand duurde tot 1492 en toen gaf Boabdil de sleutels van de stad aan het katholieke koningspaar.

Isabella en Ferdinand kregen later van paus Alexander VI voor hun grote verdiensten de eretitel van “Katholieke Koningen”, of in het Spaans “Los Reyes Católicos”.



De overgave van Granada

De overwinnaars beloofden bij de capitulatie dat zij de religie, wetten en gebruiken zouden respecteren van de overwonnenen. Toch werd in datzelfde jaar 1492 een edict afgekondigd waarin joden hun bezittingen moesten verkopen en binnen de drie maanden het land moesten verlaten. De reden was dat de schatkist dringend geld nodig had en bij de joden kon men snel veel geld halen.

Van de ruim 200.000 joden in Spanje vertrokken er 150.000 (meestal de rijkste of de hoogst ontwikkelde)naar Portugal, Turkije, Noord-Afrika en Italië. Vandaag de dag bestaan er nog gemeenschappen waar nog Castilliaans wordt gesproken. 50.000 gingen over op het christelijke geloof. Deze immigratie was een klap voor de economie, door het wegvallen van vele handelszaken en werkplaatsen. In 1502 werden de Moren uitgezet die zich nog niet hadden laten dopen.

Al deze wetten en regels dreven de situatie naar een climax en uiteindelijk in 1568 komen de “bekeerde” Moren tot een opstand. De opstand staat bekend onder de naam “opstand van de Alpujarras”. Hij staat onder de leiding van Mohammed Abén-Humeya.

Koning Filips II stuurt hertog Jan Van Oostenrijk naar de regio om het conflict op te lossen en om alle Moren te verdrijven.

Er werd een speciale rechtbank ingesteld: de Inquisitie. In feite bestond deze rechtbank in Europa sinds 1231 en het was een kerkelijke rechtbank, ingesteld door Rome om ketterij te bestrijden. In 1478 kwam het gezag over deze rechtbank en de benoeming van de grootinquisiteur toe aan de Spaanse koning.

De eerste rechtbank in Sevilla ontwikkelde zich al snel tot een meedogenloos apparaat in de handen van de absolute vorst.

Na de verdrijving van de joden en de Moren kreeg de Inquisitie toezicht over de bekeerlingen en bestrafte de geheime uitvoering van hun oude rituelen. Intellectuelen en handelaren waren bij voorbaat verdacht, boeren en herders bleven meestal vrij van de strenge controle. De Inquisitie maakte gebruik van verklikkers en hield geheime zittingen. De terechtstellingen waren openbaar en trokken steeds een groot publiek. De gevolgen werden snel duidelijk, de Spaanse maatschappij stagneerde en alle energie werd in de religie gestoken.

In de 16° en de 17° eeuw werden duizenden ketters verbrand. Vanaf de 18° eeuw hield de Inquisitie zich nog bezig met de censuur van boeken.

De Inquisitie werd verboden door de Cortes van Cádiz in 1813.

Tot zover de geschiedenis bekeken langs Moorse kant, hierna volgt de geschiedenis bekeken langs christelijke kant.

In dezelfde periode als dat Abd al Rahman III zichzelf uitriep tot kalief verschenen er dichtbij de Pyreneeën twee christelijke koninkrijken, Navarra en Aragón.

De vooruitgang van de veroveringen in de richting van het zuiden en het steeds groter worden van de christelijke gebieden bracht de geboorte met zich mee van een nieuw politiek-grondgebied in het binnenland, Castilië.

Dit is verkregen voor de koning van Navarro, Sancho III, de Grote. Na zijn dood gaat zijn erfenis naar zijn zoon Fernando.

Deze is gehuwd met de zuster van de koning van Léon en zij vormen een coalitie tussen Navarro-Castilië welke na een oorlog en de dood van de koning van Léon in de slag van Tamarón, Fernando ook op de troon van Léon brengt.

Na de dood van Fernando wordt het grondgebied verdeeld onder zijn zonen, het zijn de koninkrijken van Léon, Galicia en Castillië.

Gedurende de volgende eeuwen, komen deze gebieden in de handen van de verschillende monarchen en hun opvolgers, zij vormen de kroon van Castillië.

De verschillenden gebieden behouden hun eigen karakter met verschillende juridische eigenaardigheden. Naast Léon komt er een nieuw gebied van groot belang, Portugal.

Een van de markante gebeurtenissen in de geschiedenis van de koningen Alfonso VI en Alfonso VII is de aanneming van de titel, keizer. De eerste als “keizer van de twee godsdiensten” en de tweede als “keizer van Spanje”.

De toekomst van de christelijke koninkrijken op het Iberisch Schiereiland zal in de volgende tientallen jaren afhangen van de grondwet van de 4 monarchiën: de kroon van Castillië, de kroon van Aragón, het koninkrijk van Navarra en het koninkrijk van Portugal.

In de XIII eeuw zal de kroon van Castilië, de sterkste van de 4, zijn grondgebied op het schiereiland vergroten met de koninkrijken Valencia en Mallorca met koning Jaime I de veroveraar en later volgden er nog andere gebieden zoals Sicilië.

Tegen het einde van die periode in 1402 en in concurrentie met Portugal begint Castilië de verovering van de Canarische Eilanden, tot dan enkel bewoond door de originele bewoners.

Ondertussen was er in Aragón een grote sterfte onder de bevolking door de uitbraak van de pest in 1348, evenals de mislukking van de opeenvolgende oogsten wat resulteerde in een grote instabiliteit, zowel op politiek en economisch als op sociaal vlak.

Bij de dood van de koning Martin I in 1410 kiezen de vertegenwoordigers van de koningen die de kroon van Aragón vormen, in het Compromis van Caspe, Fernando de Antequera als toekomstige koning, hij kan langs moeders zijde rechten op de troon laten gelden. Ondanks een revolte van de graaf van Urgel, werd Fernando I gekroond tot koning.

Aragón kwam in een diepe crisis door de problemen tussen Juan II, zoon van Fernando de Antequera en de meerderheid van de Raad van Honderd.

Dit kwam door het gevangen nemen van zijn zoon en erfgenaam Carlos van Viana. Ook lagen er sociale spanningen aan ten gronde en de revoltes van de landarbeiders welke zullen leiden tot de Catalaanse Burgeroorlog (1462 – 1472).

Met de bestijging van de troon door Fernando de Katholieke, tweede zoon en erfgenaam van Juan II, verminderden de spanningen door de ondertekening van het Arbitral de Guadelupe, wat een nieuwe structuur gaf aan de Catalaanse gebieden.

7. Moderne tijden

Op het einde van de Middeleeuwen, met het huwelijk van Isabel van Castillië en Fernando van Aragón, zijn de koninkrijken op het schiereiland verbonden. Zij veroveren het Moors koninkrijk met de val van Granada in 1492, en vervolgens dat van het koninkrijk van Navarra in 1512, wat een koninkrijk bleef, met een eigen munt en douane aan de rivier de Ebro, tot aan de Carlistische Oorlogen in de 19 eeuw.

De koningen van Navarra vluchtten naar hun bezittingen aan de andere kant van de Pyreneeën en zij werden later koningen van Frankrijk.

Zij gingen ook een politiek huwelijk aan met Portugal in 1580, wanneer Felipe II van Spanje de troon bestijgt, en voor de laatste maal het Iberisch schiereiland verenigd.

In 1492 beslissen zij over de uitwijzing van de joden, welke zich niet bekeerd hebben tot het christendom, daarmee Felipe IV van Frankrijk volgend.

Cristobál Colon (of zoals wij hem kennen, Christoffel Columbus) gaat in naam van de Katholieke Koningen met zijn vloot voor de eerste maal naar Amerika. Daarmee begint de wedloop voor de exploitatie en de verovering van Amerika. Later kwamen er andere landen bij in de wedloop, landen zoals Portugal, Frankrijk en Engeland.

Zo begon de kolonisatie van Amerika, van de Caraïben tot Midden-Amerika, eerst door Francisco Hernández en later door Hernán Cortes. De Spaanse monarchie veranderde zich, in een proces dat begon aan het einde van de Reconquista, tot de machtigste en invloedrijkste natie van de wereld. Tijdens het koningschap van de Katholieke Koningen begon er ook een expansie naar Noord-Afrika, zij veroverden enkele steden, waaronder Melilla.

Na de dood van Isabel de Katholieke in 1504, kwam haar dochter Juana op de troon. Juana was gehuwd met Felipe I, of zoals men hem noemde Filips de Schone, zoon van de Aartshertog van Oostenrijk en keizer van het heilig Roomse rijk. Felipe stierf jong en Juana kon niet regeren door een mentale ziekte.

Hun zoon Carlos I van Spanje erfde de kroon van Castilla en Aragón en kreeg er de rechten op het Heilig Roomse Rijk en de bezittingen in Bourgondië bovenop.

Tijdens zijn regeerperiode besluit hij om aan het koningschap te verzaken en trekt zich terug in de Abdij van Yuste in 1556.

Zijn zoon Felipe II erft de Spaanse troon en zijn broer Fernando van Habsburg erft het Heilige Roomse Rijk.

In 1580 werd Felipe II van Spanje gekroond als koning van Portugal onder de naam van Felipe I van Portugal. Tijdens zijn koningschap kwam er de grote overwinning van Lepanto, wat een halt toeriep aan de Turkse expansie in de Middellandse Zee.

Aanleiding voor deze slag was de groeiende piraterij in de Middellandse Zee. Kust dorpen in Spanje en de Balearen werden regelmatig geplunderd door deze piraten uit Noord-Afrika en Turkije. De meest bekende was de Turk Barbarossa = Roodbaard.

Volgens een geschiedkundige Robert Davis werden er tussen de 1.000.000 en de 1.250.000 Europeanen verkocht als slaaf in Noord-Afrika en Turkije tussen de 16° en de 19° eeuw.

Aan de schaduwzijde was er dan nog het rampzalig avontuur van de Spaanse vloot in 1588.

Spanje en in sterkere mate Castilië, blijft groeien en bloeien binnen de Habsburgse dynastie, dankzij de handel met de Amerikaanse kolonies, maar heeft in dezelfde tijd ook met oorlogen tegen Frankrijk, Engeland en de Verenigde Provinciën te maken.

Toen de laatste koning van de Habsburgse dynastie, Carlos II van Spanje, stierf zonder troonopvolger, kwam Felipe van Bourgondië, neef van de kleinzoon van Carlos II en kleinzoon van de koning van Frankrijk op de troon met de naam Felipe V van Spanje, nadat hij geaccepteerd was in alle gebieden van Spanje. Nadat hij een paar jaar op de Spaanse troon zat begon de Spaanse Successieoorlog.

Tussen 1707 en 1716 met de decreten van de nieuwe installatie van Felipe V verminderde de macht van de koninkrijken en de gebieden die zich tegen hem hadden gekeerd in de successieoorlog.

Sommigen zagen in deze decreten een wettelijke eenwording van Spanje, maar aan de andere kant waren deze decreten verschillend voor Valencia en Aragón.

In 1713 heeft Spanje het Verdrag van Utrecht ondertekend waardoor zij hun Europese bezittingen verloren, maar zij werden ondertussen een wereldmacht.

De rest van de XVIII de eeuw, was de eeuw van de Verlichting. Fernando VI en Carlos III, kinderen en erfgenamen van Felipe V, voerden een beleid van vernieuwing, wat bekend werd als ‘Verlicht Despotisme”.

8. De huidige tijd

De huidige tijd begint niet goed voor Spanje, in 1805, in de Slag van Trafalgar, werd de Spaans-Franse vloot verslagen door Groot-Brittannië, het was tevens het einde van de Spaanse overheersing op de wereldzeeën ten voordele van Groot-Brittannië.

Ondertussen heeft Napoleon getriomfeerd na de Franse revolutie, gebruik gemaakt van de verschillen tussen Carlos IV en zijn zoon Fernando.

Napoleon stuurde zijn leger naar Spanje en plaatst achteraf zijn broer José I op de troon. Deze was in Madrid beter bekend als “Pepe Botellas” vanwege zijn enorme drankzucht.

Dat veroorzaakt de Onafhankelijkheids Oorlog welke 5 jaar zal duren. In deze tijd maakt men de eerste Spaanse Grondwet, een van de eerste in de wereld aan het hof van Cadiz. Deze grondwet werd afgekondigd op 19 maart 1812, feestdag van San José.

Na de nederlaag van de troepen van Napoleón in de slag van Vitoria in 1813, keert Fernando VII terug op de Spaanse troon.

Tijdens het bewind van Fernando VII wordt de grondwet van 1812 terug afgeschaft,komt
er een vervolging van de liberale aanhangers van de grondwet en wordt er een absolutisme ingesteld.
Ondertussen kent de Onafhankelijkheidsoorlog in Latijns-Amerika zijn verdere verloop en
weegt op de oorlogsinspanningen van de verdedigers van de monarchie. Aan het einde van het conflict blijven enkel de eilanden Cuba en Puerto Rico onderdeel van het Spaans nationaal territorium.

Aan het einde van dit afschuwelijk decennium en met de steun van de liberalen in de “Pragmatica Sanción” van 1830 wordt er opnieuw een parlementaire monarchie ingesteld.

Op het einde van het koningschap is de absolute monarchie verdwenen in de ganse Spaanse wereld.

De dood van Fernando VII brengt opnieuw een periode van grote instabiliteit met zich mee, zowel op politiek als op economisch vlak. Zijn broer Carlos Maria Isidro steunt op een aantal supporters, ze rebelleren tegen de benoeming van Isabel II, dochter van Fernando VII, erfgenaam van haar vader. Carlos Maria Isidro is tegen de afschaffing van de Salische wet van de Bourbon dynastie, welke normaal de kroning van een vrouw tot koningin verhinderd en de Eerste Carlistische Oorlog breekt uit.

De heerschappij van Isabel II kenmerkt zich door afwisseling van de macht aan de gematigden en de vooruitstrevenden, deze afwisseling wordt meer gemotiveerd door de militaire opstand.

De revolutie van 1868, genaamd “La Gloriosa” verplicht Isabel II Spanje te verlaten. Het grondwettelijk hof wordt bijeengeroepen en dat spreekt zich ten gunste van de monarchie uit en op initiatief van Generaal Prim, wordt de kroon aangeboden aan Amadeo van Savoye, zoon van de koning van Italië.

Zijn koningschap was kort door zijn afwijzing van de belangrijke sectoren van de maatschappij.

Daarop werd de 1° Republiek uitgeroepen, deze geniet een langere levensduur, alhoewel het een roerige tijd was. In 11 maanden waren er vier presidenten: Figueras, Pi y Margall, Salmerón en Castelar.

Tijdens deze tumultueuze periode kwamen er ernstige territoriale spanningen, soms ook met pittoreske fenomenen, de stad Cartagena riep zich uit tot “Onafhankelijk Kanton”.

Deze periode eindigde met een militaire opstand van de generaals Martinez Campos en Pavia, welke het parlement ontbonden.

De “Restauración” riep Alfonso XII tot koning uit. Spanje ondervind nu een grote politieke stabiliteit welke te danken is aan het toenmalige regeringssysteem. Dit systeem wordt voorgestaan door de conservatieve leider Antonio Cánovas del Castillo.
Het is een systeem dat de twee partijen, de conservatieve en de liberale om beurt in de regering brengt.

In 1885 sterft Alfonso XII en het regentschap gaat naar zijn weduwe Maria Cristina, tot de meerderjarigheid van zijn zoon Alfonso XIII, geboren na de dood van zijn vader.

De onafhankelijkheidsstrijd op Cuba in 1895 zet de Verenigde Staten er toe aan om tussen beide te komen in de strijd. De aanleiding was de ontploffing van het pantserschip Maine op 15 februari 1898 waarna de Verenigde Staten de oorlog verklaarden aan Spanje. Na de nederlaag van Spanje in Cuba gingen de laatste overzeese gebieden (Cuba, Filippijnen, Guam en Puerto Rico) verloren.

9. XXste eeuw

De 20ste eeuw begint met een grote economische crisis en de daarbij horende politieke crisis. Door de Spaanse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam er een heropleving van de welvaart.

De opeenvolging van de regeringscrisissen, het ongunstig verloop van de oorlog in het Rif-gebergte (Marokko), de sociale onrust en de onvrede binnen het leger mondde uit in de staatsgreep door generaal Primo de Rivera op 13 september 1923.

Het is het begin van een militaire dictatuur, maar die wel geaccepteerd wordt door een groot deel van de sociale krachten en door koning Alfonso XIII.

Tijdens deze dictatuur worden rechten en vrijheden afgeschaft. De moeilijke economische toestand en de opkomst van republikeinse partijen creëren een onhoudbare toestand. In 1930, geeft Primo de Rivera zijn ontslag aan de koning en gaat naar Parijs waar hij een weinig later overlijdt.

Hij wordt opgevolgd door de Directeur-Generaal, Dámaso Berenguer en later voor een korte tijd door admiraal Aznar. Deze periode noemt men in Spanje de “Dictablanda”.

Vastbesloten om een oplossing te vinden voor de politieke situatie en om een herstel van de grondwet mogelijk te maken kondigde de koning gemeentelijke verkiezingen aan op 12 april 1931.

Deze verkiezing geeft een overweldigende meerderheid aan de republikeinen-socialisten. Zij halen hun winst vooral in de grote steden en in de provinciale hoofdsteden maar de meerderheid van alle verkozenen is nog steeds monarchist.

Er komen manifestaties ten voordele van de republiek, welke leidden tot het vertrek van de koning naar het buitenland. Eenmaal de koning vertrokken werd de 2° republiek uitgeroepen op 14 april.

In de loop van de Republiek is er een grote politieke en sociale onrust, gekenmerkt door een sterke radicalisering van links en rechts. Tijdens de eerste twee jaar bestaat de regering uit republikeinen en socialisten. Tijdens de verkiezingen van 1933 wint het rechts blok en met de verkiezingen van 1936 wint het links blok.

Een toenemende golf van geweld trekt over het land, brandstichting in kerken en de moord op politieke rivalen zijn schering en inslag.

Op 17 juli komen de garnizoenen in Afrika in opstand en begint de Spaanse Burgeroorlog. Spanje is verdeeld in 2 zones: een onder de controle van de republikeinse regering en een onder de controle van de opstandelingen waar generaal Francisco Franco tot staatshoofd wordt benoemd.

Met Duitse en Italiaanse hulp aan de opstandelingen van Franco en door de voortdurende confrontaties tussen republikeinse fracties onderling geven de overwinning aan de opstandelingen. Zij behalen de overwinning op 1 april 1939.



Generaal Franco’s overwinning betekende de start van een autoritair regime. Er ontwikkelde zich een sterke repressie tegenover de overwonnen, wat velen van hen verplichtte om in ballingschap te gaan. Vele anderen werden veroordeeld tot de doodstraf of opgesloten in werk kampen.

Ondanks het feit dat Franco Spanje niet rechtstreeks meesleurde in de Tweede Wereldoorlog gaf hij toch een verkapte steun aan de Duitse troepen. De bevoorrading van Duitse schepen was steeds mogelijk en er vertrokken Spanjaarden naar het Oostfront om te gaan vechten tegen de communisten.

Na de oorlog kwam het land in een politiek en economisch isolement terecht.

Niettemin kwam de “koude oorlog” tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie en hun wederzijdse geallieerden Franco goed uit. De Verenigde Staten heeft hem nodig om militaire basissen te bouwen in Spanje en de isolatie waarin Spanje was terecht gekomen verdween geleidelijk.

In 1956 verkrijgt Marokko zijn onafhankelijkheid van Spanje en Frankrijk.

In 1969 kiest Franco Juan Carlos van Bourbon, kleinzoon van Alfonso XIII, prins van Spanje uit als zijn opvolger met de titel van koning.

Ondanks de repressie en tirannie onder de dictatuur groeide de industriële ontwikkeling en de economische expansie zienderogen.

De dictator Franco stierf op 20 november 1975 en koning Juan Carlos I werd 2 dagen later benoemd. Dat begint een periode die in Spanje bekend staat als de “Transición” of de “Overgang”.

Deze periode vind zijn hoogtepunt met de inrichting van de parlementaire monarchie in 1978, na de afstand van zijn historische rechten door de vader van de koning, Juan de Bourbon.

Na de eerste democratische verkiezingen werd Adolfo Suarez van de Unión de Centro Democrático (centrum-rechts) verkozen tot Eerste-Minister. Hij doet belangrijke politieke hervormingen en begint de onderhandelingen om Spanje lid te laten worden van de Europese Economische Gemeenschap. Hij neemt ontslag in 1981.

Tijdens de stemming om een opvolger te verkiezen voor Adolfo Suarez op 23 februari 1981 was er een poging tot een militaire staatsgreep. Een aantal militairen onder leiding van kolonel Tejero stormde het parlement binnen. Deze militairen konden zwart op wit de goedkeuring van de bisschoppen tonen en hielden het parlement een ganse dag in gijzeling. Koning Juan Carlos weigerde mee te werken en de staatsgreep mislukte.

De opvolger van Rodolfo SUarez was Leopoldo Calvo Sotelo, dat is de man die Spanje in de NATO bracht.

In de volgende verkiezingen van 1982, kwamen de socialisten onder leiding van Felipe Gonzalez aan de macht. Hij bleef aan de macht voor de drie daarop volgende verkiezingen.

In 1986 kwam Spanje dan in de Europese Economische Gemeenschap, tijdens datzelfde werd er een referendum gehouden met de vraag of Spanje lid moest blijven van de NATO. De socialisten verdedigden de JA stem en Spanje bleef lid.

In 1992 kwam Spanje opvallend in het internationale nieuws met de Olympische Spelen in Barcelona, Madrid als Europese Culturele hoofdstad en met de Wereldtentoonstelling in Sevilla.

In die periode begint een grondige modernisering van de economie en de Spaanse samenleving. Dit werd vooral gekarakteriseerd door de industriële omschakeling en de vervanging van het economisch model van Franco door een meer liberaal model.

Ook de verandering in de Spaanse maatschappij (modernisering), de ontwikkeling van de Autonome Regio’s, de verandering van het leger en de ontwikkeling van civiele infrastructuren zoals bruggen, wegenwerken enz.

Op dat moment echter is er ook een hoge werkloosheid en kwam er stilstand aan de economische groei.

De verkiezingen van 1996 brachten de Partido Popular aan de macht en kwam José Maria Aznar aan het hoofd van de regering voor twee termijnen, de verkiezingen gaven hem zelfs een absolute meerderheid.

10. XXI eeuw

De 21ste eeuw begint met de effecten van 9 september 2001, dit betrekt Spanje in twee conflicten: de bezetting van Afghanistan en de invasie van Irak. Dat laatste conflict brengt een verwijdering met zich mee tussen de regering en een groot deel van de Spaanse bevolking. De afhandeling door de regering van de aanslag in Madrid op 11 maart 2004 vergroot de verwijdering nog.

Dit alles brengt de socialisten aan de macht na de verkiezingen van 14 maart 2004.

De Euro vervangt officieel de Peseta sinds 1 januari 2002.

Tussen 1993 en 2007 groeit de Spaanse economie enorm maar is voor het grote deel gebaseerd op de groei van de bouwsector. Een sector die momenteel in de problemen zit door de internationale crisis op de hypotheekmarkt.

Op het einde van de 20ste eeuw ontvangt Spanje grote aantallen immigranten uit de Latijns-Amerikaanse leden zoals: Ecuador, Colombia, Argentinië, Bolivia en Peru. Ook uit Afrikaanse en Europese landen kwamen er grote aantallen immigranten.

Door de sterke economische groei had Spanje veel arbeiders nodig. De president van de Spaanse nationale bank kondigde aan dat Spanje de zevende grootste economie ter wereld is.

De socialistische partij won de verkiezingen van 14 maart 2004 waardoor José Luis Rodriguez Zapatero de vijfde eerste minister werd sinds de dood van Franco.

Zapatero trekt de Spaanse troepen terug uit Irak wat een tijdelijke verkoeling in de diplomatieke relaties met de Verenigde Staten met zich meebrengt.

Hij ondertekend de Europese Grondwet, na goedkeuring door de Spaanse bevolking in een referendum.

Bovendien komt het homohuwelijk er.

Op woensdag 22 maart 2006 kondigt de ETA een wapenstilstand af, dat verbroken wordt op 30 december 2006 met de bomaanslag op de luchthaven van Madrid.

Met de verkiezingen van 9 maart 2008 winnen de socialisten van Zapatero 5 zetels, de Partido Popular wint 6 zetels en de verliezers zijn de nationalistische partijen.